Aan de vooravond van Hervormingsdag zijn de schijnwerpers gericht op Dordrecht. De herdenking van 500 jaar Reformatie is nog maar net achter de rug of een volgend jubileum dient zich aan: de herdenking van 400 jaar synode van Dordrecht. Deze erfenis kan alleen goed tot haar recht komen als ze beschouwd wordt als een hernieuwde ontdekking van het reformatorische verstaan van het ”sola gratia” (genade alleen).

Van november 1618 tot mei 1619 was Dordrecht even het centrum van Europa. Nog maar een eeuw na de Reformatie liep de erfenis ervan gevaar. De innovatieve ideeën van de Leidse hoogleraar Jacobus Arminius veroorzaakten veel onrust in Nederland, reden waarom een vergadering met theologen uit heel Europa samengeroepen werd.

Arminius stond een nieuwe opvatting van Gods verkiezing voor, waarbij hij de menselijke keuzevrijheid maximaal wilde honoreren. Volgens Arminius houdt Gods genade in dat de mens in vrijheid kan kiezen om God te dienen – of niet. Omdat God in Zijn voorkennis weet wie deze vrije keuze voor Hem zullen maken, bepaalt Hij vervolgens wie Hij verkiest. God verkiest, maar alleen omdat de mens God verkiest. Zo creëert Arminius een systeem dat zowel Gods genade als de menselijke keuzevrijheid honoreert – een opvatting waarmee hij het gereformeerde verstaan van verkiezing en genade omverwierp. God verkiest volgens hem niet tot het geloof, maar omdat men gelooft – een vorm van synergisme waarbij het individu een doorslaggevende rol heeft.

Herhaling van zetten

Ook Arminius sprak volop over genade –het is genade dat God de mens in staat stelt te kiezen– maar hij vatte dit geheel anders op dan zijn gereformeerde tijdgenoten. Dat laat zien dat de erkenning van Gods genade alleen nog niet veel zegt. Want wat wordt daarmee bedoeld? De Amerikaanse theoloog Carl Trueman schreef onlangs dat de bewering dat de zaligheid uit genade alleen is, nog niet zo veel beweert. Het is een bewering die zowel Augustinus als Pelagius, Luther als Eramus, Gomarus als Arminius had kunnen doen.

Veel belangrijker is de vraag wat met die uitspraak precies bedoeld wordt. Het maakt nogal uit of onder ”genade alleen” het zetje verstaan wordt dat de mens nodig heeft om in beweging te komen naar God toe, of dat daarmee de levendwekkende kracht van God bedoeld wordt die de dode zondaar levend maakt en met geloof begiftigt. Dat laatste was de positie van de Dordtse synode, die met deze positiebepaling de erfenis van de Reformatie veiligstelde.

Feitelijk vond op de synode van Dordrecht een herhaling van zetten plaats in een veel groter schaakspel dat begonnen is sinds de apostel Paulus zijn vlammende kritiek uitte op mensen die wel met de lippen roemden in genade, maar in de praktijk menselijke inzet, praktijken en werken een doorslaggevende rol gaven. De geschiedenis laat zien dat dit conflict steeds weer de kop opsteekt. Augustinus’ gebed tot God: „Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt”, riep de verontwaardiging op van de Britse monnik Pelagius, die meende dat de Noord-Afrikaanse bisschop op deze manier de menselijke inzet te weinig eer gaf. Het was Paulus geweest die Augustinus door het lezen van zijn brieven ervan overtuigd had dat genade losstaat van menselijke verdienste en dat het geloof een gave van God is. Augustinus ontdekte –in tegenstelling tot wat hij tot dan dacht– dat God mensen niet verkoos omdat ze uit eigen beweging in Hem geloofden, maar opdat ze in Hem zouden geloven. Deze genade hangt niet af van het willen of ijveren van de mens, maar van de erbarmende God. In een terugblik op deze ontdekking schreef hij: „Ik vocht voor de vrije wil van de mens, maar de genade van God overwon.”

Dankbaar

Eenzelfde conflict deed zich voor in de zestiende eeuw, toen de Rotterdamse humanist Erasmus Luther aanviel op zijn stellingname. Luther was hem er zeer dankbaar voor, want dit noopte hem tot het schrijven van zijn misschien wel meest doorwrochte –en omstreden– geschrift over de geknechte menselijke wil – zijn apologie voor de paulinisch-augustijnse erfenis. Waar Erasmus meent dat de discussie over de menselijke wilsvrijheid „voer voor theologen” is waar de gemiddelde gelovige zich niet mee bezig dient te houden, is Luther het tegenovergestelde van mening. Als men immers niet weet wat men van God moet verwachten of van zichzelf, ontstaat er grote pastorale nood. Er ligt echter grote troost in de overtuiging „dat God (…) op onveranderlijke wijze alle dingen doet; dat Zijn wil niet weerstaan, noch veranderd of gefrustreerd kan worden.”

Wat voor de hoogmoedige, zelfbewuste, autonome mens een aanstoot is –dat God alle dingen doet– is juist de hoogste troost voor een aangevochten hart dat weet zelf niets te hebben, te weten of te kunnen. Luther: „Want zolang hij blijft geloven dat hijzelf ook maar dat kleine beetje voor zijn eigen heil zal kunnen doen, blijft hij op zichzelf vertrouwen.” Waar echter alle hoop op eigen kennen, willen, weten en kunnen de grond in geboord wordt, blijft er alleen verwachting van God over. „Wie er daarentegen op geen enkele manier meer aan twijfelt dat het helemaal van Gods wil afhangt, die wanhoopt werkelijk aan zichzelf, verkiest niet zelf iets, maar ziet uit naar wat God zal doen.” Dan weet Luther het ook zeker: „God heeft aan hen die zich verootmoedigen –die dus treuren en geen hoop meer hebben– heel zeker Zijn genade beloofd. Kortom: genade wordt alleen verstaan en begeerd door hen die in het zicht van hun zonde, verlorenheid en onmacht, hun hoop alleen nog maar op God kunnen vestigen.”

Autonome mens

Deze erfenis van Luther, ofwel van ‘Wittenberg’, verdedigd in Dordrecht, is actueler dan ooit in een tijdsgewricht waarin de autonome mens zich volop laat gelden, ook binnen de kerk. De reeds genoemde Carl Trueman analyseerde dat het christelijk geloof vandaag veelal een middel tot een doel geworden is, iets wat ons helpt onszelf te bevestigen en ons doel of potentieel te verwerkelijken. Genade wordt verdraaid tot de boodschap ”God houdt van je” en ”je mag er zijn”, in plaats van de onvoorstelbare boodschap van Gods verlossende liefde voor zondaren die het verdiend te hebben er níét meer te zijn omdat ze Gods oordeel waardig te zijn. Maar genade is geen helpende hand, want tussen de levende God en de dode zondaar is geen coöperatie mogelijk. Genade is het machtswoord van Hem „Die doden levend maakt en de dingen die niet zijn –geloof, berouw, bekering– roept alsof ze waren.”

Deze overtuiging is de enige die mensen waarachtige zekerheid kan bieden. Zolang het heil van de mens, al is het maar een ”nagelschrapseltje”, in eigen handen ligt, is deze zijn leven niet zeker. Maar nu het in Gods hand ligt, ligt het veilig. Veilig voor wie niets meer van zichzelf verwachten, maar alles van Hem. Hoe paradoxaal het ook klinkt, het wantrouwen aan zichzelf wekt het grootste vertrouwen, de onzekerheid over zichzelf het grootste zekerheid. Want, zoals Luther zijn geschrift tegen Erasmus eindigt, „nu het zo is dat God mijn heil onttrokken heeft aan mijn keuze en tot de zaak van Zijn eigen keuze heeft gemaakt; nu Hij beloofd heeft mij te behouden, niet door mijn werken of lopen, maar door Zijn genade en ontferming, nu ben ik gerust en zeker, omdat Hij getrouw is en niet tegen mij liegt; en omdat Hij ook zo machtig en groot is, dat geen demonen of tegenspoed Hem zullen kunnen weerhouden of van mijn zijde trekken. „Niemand”, zegt Hij, „zal hen uit Mijn hand rukken, want de Vader, Die hen gegeven heeft, is groter dan allen.”

Zo moet het sola gratia verstaan worden, want zo alleen leidt het tot zijn doel: het toebrengen van de lof aan God alleen. Het is te hopen dat de ‘lofzang van Dordt’ ook vandaag gaande gehouden wordt.

‘Wat Dordt met Wittenberg te maken heeft’, artikel ‘Toegespitst’, in: Reformatorisch Dagblad, 27 oktober 2018