Van de 525.600 minuten die 2018 telt, zijn er alweer heel wat voorbij. Zaak om de overige goed te besteden.

Tijd is immers kostbaar. Ooit stond er in een Engelse krant een advertentie: „Gisteren verloren, ergens tussen zonsopgang en zonsondergang: twee gouden uren, elk bezet met zestig diamanten minuten. Geen beloning, want ze zijn voor altijd kwijt…”

Tijd is een wonderlijk fenomeen. Het ontglipt wie het probeert te duiden. Augustinus schrijft in zijn ”Confessiones” (”Belijdenissen”) dat hij het mysterie ervan niet kan doorgronden. Hij belijdt dat hij niet weet wat tijd is, terwijl hij tegelijkertijd in de tijd spreekt en tijd nodig heeft om te zeggen wat hij zeggen wil over tijd. Wat hij intuïtief over de tijd weet, laat zich niet verwoorden.

Speelklok

Belangrijker nog dan de vraag wat tijd is, is de vraag waartoe de tijd dient. Die vraag was men zich in vroeger tijden meer bewust dan vandaag. In het Utrechtse Museum Speelklok is een klok met een opvallende wijzerplaat te zien van de Engelse klokkenmaker George Pyke. Zichtbaar is een stoet mensen en dieren die voorbijtrekt; verbeelding van het ”tempus fugit”: de tijd vliegt. Eveneens te zien zijn drie timmerlieden die een doodskist maken: verbeelding van het ”memento mori”; gedenk te sterven.

Deze gedachten verbeelden een voluit Bijbelse insteek. Wijzen weten met hun tijd om te gaan. Vanuit Bijbels perspectief is tijd een geschenk van God, een talent waarmee je moet woekeren. Paulus noemt dat „de tijd uitkopen” (Ef. 5:16). Dat ”uitkopen” komt van een woord dat ook vertaald kan worden als vrijkopen of verlossen. Het gaat erom dat een christen zich inspant om zijn tijd optimaal te gebruiken, uit te buiten. Als reden hiervoor noemt de apostel het gegeven dat de dagen „boos” zijn: de nieuwtestamentische aanduiding voor het huidige tijdsgewricht tussen Christus’ verhoging en wederkomst, het tijdperk van „deze tegenwoordige boze wereld” (Gal. 1:4), waarin duistere machten hun beklemmende werk doen in de kinderen van de ongehoorzaamheid (Ef. 2:2).

Al uit die „boosheid” zich vandaag misschien anders dan toen, de wereld van nu is niet minder „boos” dan die van toen. Onze dagen worden gekenmerkt door een levensvisie die radicaal mensgericht is en waarin voor God geen plaats is. De mens is uitgangspunt en maat van alle dingen. Gevolg is een sterk individualisme: mensen gaan uit van zichzelf, het is hun leven en ze bepalen zelf wat ze willen en doen. Niet in de laatste plaats wat betreft de besteding van hun tijd. Tijd wordt zo vooral als persoonlijk eigendom gezien. Wat dreigt is een leven dat alleen nog om jezelf, om eigen keuzes, ideeën en verlangens draait. Als er geen God en geen eeuwigheid is, komt alle nadruk op het hier en nu te liggen; dan moet je proberen eruit te halen wat erin zit in de zeventig, tachtig jaar die tot je beschikking staan.

Mantelzorg

Dat heeft destructieve gevolgen, niet in de laatste plaats voor de samenleving. Onlangs kwam in het nieuws dat het op verschillende plaatsen bijna niet meer mogelijk is om nieuwe raadsleden te vinden. Het draagvlak voor mantelzorg wordt minder. Na een wereld waarin voor God al geen plaats meer was, dreigt nu een wereld waarin ook steeds minder ruimte is voor de naaste en het gemeenschappelijk belang.

In zo’n klimaat klemt des te meer de urgentie van Paulus’ aansporing om de tijd uit te kopen. Voor je het weet worden christenen door het hedendaagse denken besmet en meegezogen, waardoor er steeds minder plaats is voor God en de dingen van Hem.

Tijd is echter geen privébezit, maar een geschenk van God. In de eerste plaats bedoeld om Hem te zoeken en te dienen; daarnaast bestemd voor levensonderhoud, zorg voor de naaste en ten slotte voor rust en ontspanning. Wie deze volgorde –God, de naaste, zichzelf– hanteert, gebruikt zijn tijd goed.

Van de 525.600 minuten die 2018 telt, zijn er alweer heel wat voorbij. Zaak om de overige goed te besteden. Want tijd is een „heerlijk talent waar je verantwoording voor moet afleggen, net als voor alle andere talenten” (Thomas Brooks). God komt terug op de 525.600 minuten van 2018. Het is goed om dat jezelf te realiseren in een tijd met steeds buitenproportioneler mediagebruik, waaraan ook christenen volop meedoen. Volgens recent onderzoek is voor een meerderheid van hen het eerste wat na het ontwaken gepakt wordt de smartphone. Op de vraag of ze hun berichten voor hun stille tijd checken of daarna, gaf 73 procent aan: ervoor.

Maar alle tijd die beter besteed had kunnen worden, is verloren tijd. En verloren tijd vind je niet meer terug. De puritein Richard Baxter gaf eens het advies: Besteed uw tijd aan niets waarvan u weet dat u er berouw over moet hebben, aan niets waarvoor u niet kunt bidden om Gods zegen, aan niets waarop u op uw sterfbed niet zonder wroeging kunt terugkijken, aan niets wat u niet kunt doen als de dood u plotseling zou overvallen…

De reden dat tijd zo vaak verkeerd gebruikt wordt, is een gevolg van verkeerde prioriteiten. Dat laatste heeft alles te maken met het probleem van het menselijk hart, dat gevangenzit in zelfzucht en ik-gerichtheid. De enige oplossing hiervoor is een nieuw hart, dat gericht is op God. Dat is een gave en tegelijk een belofte: „Ik zal hun enerlei hart geven om Mij te vrezen” (Jer. 32:39). Wie dat gelooft, bidt David na: „Maak mijn hart één om U te vrezen” (Ps. 86:11).

Behalve een nieuw hart is de voortdurende vervulling met de Heilige Geest nodig. Vandaar dat Paulus de oproep om de tijd goed te benutten bijna in één adem verbindt met de opdracht vervuld te worden met de Heilige Geest (Ef. 5:18). Hij is het Die het hart blijvend richt op God en mensen en met wijsheid begiftigt om goede keuzes te maken, vooral als het gaat om de besteding van tijd.

Verzoening

De Geest maakt christenen tot pelgrims die hun leven zien als voorbereiding op de eeuwigheid. Dat leidt tot een levensstijl van vreemdelingschap, waarbij tijd kostbaar geacht wordt. De grote Amerikaanse theoloog Jonathan Edwards was nog geen twintig jaar oud, toen hij in een schriftje een aantal besluiten opschreef. Een ervan was: „Heb besloten: Nooit een moment tijd te verliezen maar ik wil het gebruiken op de meest optimale manier die mogelijk is.” Het is nooit te laat om zijn advies op te volgen, zelfs niet als er al te veel tijd verloren is gegaan.

Er is er Eén geweest Die Zijn tijd wel goed gebruikt heeft; Zijn leven wel geleefd heeft voor God. Hij heeft in de laatste uren van Zijn tijd alle zonden met de tijd verzoend. Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden, ook van de zonde van het misbruik van de tijd. Het reinigt van alle tijdverdrijf, al het zondige tijdgebruik, al het zelfzuchtige tijdgebruik; het gebrek aan tijd voor God, voor gebed en voor Zijn Woord.

Mensen die deze verzoening kennen, leven niet meer voor zichzelf. Terwijl ze worden gedrongen door de liefde van Christus en geleid door Zijn Geest, groeit het verlangen om de tijd te gebruiken tot Zijn eer en wordt het gebed geboren: „Maak mijn uren en mijn tijd, tot Uw lof en dienst bereid.”

‘Een jaar vol diamanten’, artikel ‘Toegespitst’, Reformatorisch Dagblad, 06-01-2018