Twee nieuwsberichten trokken eerder deze maand de aandacht. Het eerste betrof de afschaffing van het verbod op majesteitsschennis door een meerderheid in de Tweede Kamer; het tweede was de verschijning van het rapport ”De staat van het onderwijs”. De sombere conclusie van dit rapport: het niveau van het onderwijs in Nederland verslechtert.

Het zou weleens kunnen dat deze twee nieuwsberichten meer met elkaar te maken hebben dan in eerste instantie vermoed zou worden. In reactie op het debat over het opheffen van het verbod op majesteitsschennis schreef politiek redacteur Addy de Jong onlangs: „Het probleem van onze tijd is niet dat we te veel, maar te weinig gevoel voor autoriteit hebben” (RD 10-2). Daarom geeft het schrappen van deze bepaling een slecht signaal af. Want is te weinig gevoel voor autoriteit wellicht ook niet een belangrijke reden voor de verslechtering van de staat van het onderwijs?

Volgens de Belgische psychiater Paul Verhaege wel. Hij noemt het verdwijnen van autoriteit de belangrijkste oorzaak van veel problemen met leerlingen en studenten. Zou het kunnen dat niet kansenongelijkheid, schoolverschillen en uitblijvende integratie –dat zijn de redenen die het rapport noemt– maar het verdwijnen van gezag de reden is voor de verslechtering van de kwaliteit van het onderwijs in Nederland?

In Nederland is het gezag van de docent tanende. Onderzoek van vakbond CNV-Onderwijs wijst uit dat drie van de vier leraren in groep 7/8 weleens te maken krijgen met intimidatie door ouders.

Daarnaast speelt er ook een andere factor: de te centrale rol die het kind krijgt. Er is sprake van (in de woorden van de titel van het bekende boek van de sociaal wetenschappers Spangenberg en Lampert) een ”grenzeloze generatie” en een onstuitbare opmars van de BV IK. De oorzaak? Die ligt volgens de auteurs in de „eeuwige jeugd van hun opvoeders” – woorden uit de titel van hun vorige boek. Ouders zijn veelal druk met zichzelf, willen vooral jong blijven en kunnen of durven hun verantwoordelijkheid als opvoeder niet te nemen.

Het kan niet anders of dit heeft gevolgen voor het onderwijs. Want als het gezag van de docent taant en de leerling centraal staat, is er sprake van een onbalans en ongezonde verhoudingen.

De oorzaak daarvoor ligt in de jaren zestig. Dat is de tijd van de „aanvang van het ik-tijdperk”, aldus priester Antoine Bodar. Of, om het met Wartburgbestuurder Richard Toes te zeggen: „De antiautoritaire generatie van de jaren zestig is de generatie waarin het hedendaags narcisme begon.” Deze fase heeft onze cultuur gestempeld en gezorgd voor een onderwijscultuur waarin de focus eenzijdig op de leerling ligt en waarin men niet goed raad weet met gezag.

Coach

Het centraal stellen van de leerling is niet goed voor leerlingen en evenmin voor docenten. Het geeft leerlingen een positie die ze vaak helemaal niet aankunnen en het maakt van docenten een coach die de ontwikkeling van het kind moet stimuleren. Maar een docent moet niet coachen, maar voeden en snoeien. Om aan die twee taken gestalte te kunnen geven, is gezag nodig. Dat past niet bij een onderwijscultuur waarin eenzijdig de focus op de leerling ligt die zichzelf zou moeten ontwikkelen. Daar schuilt een veel te optimistisch, positief mensbeeld achter, dat zich slecht verhoudt met het Bijbelse mensbeeld.

Daarom is er alle reden om als kerk, gezin en school hard te werken aan een hernieuwde waardering van gezag. Zodat docenten weer kunnen worden wat ze moeten zijn en leerlingen de vrucht ervan mogen plukken.

Daarbij moet wel duidelijk zijn wat we met gezag bedoelen en beogen. Gezag betekent: de bevoegdheid iets te mogen doen. Een ouder, docent of leidinggevende heeft de bevoegdheid om anderen te leiden en opdrachten te geven. Vanuit christelijk perspectief berust deze bevoegdheid op een goddelijke ordening. Gezag is een verleende volmacht.

Daarbij zijn vier aspecten van belang. Gezag is in de eerste plaats een opdracht. De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Die gelijkenis bestaat vooral hierin dat hij „heerschappij” mag voeren (Gen. 1:26b). God is de grote Koning, en de mens mag in Zijn Naam heersen, onderkoning zijn in Gods schepping. Nooit autonoom, maar altijd in erkenning van en gehoorzaamheid aan de grote Koning.

In de tweede plaats is gezag genormeerd, door het Woord van God. Het handelen van gezagsdragers in het Oude Testament, zoals bij profeten, priesters en koningen, is altijd genormeerd door het leidende Woord van God (zie Deut. 17-18).

Vervolgens vraagt het uitoefenen van gezag wijsheid. Wijsheid is het vermogen om de woorden en geboden van God in de gegeven situatie op de juiste manier toe te passen. Daarvoor is de vreze des Heeren onontbeerlijk. Alleen wie God vreest, kan verantwoordelijk omgaan met Zijn wet en die juist toepassen. Vandaar dat de vreze des Heeren het beginsel is van de wijsheid (Spr. 9:10).

Ten slotte: gezag dient uitgeoefend te worden met het oog op Jezus. Hoe Hij omgaat met gezag maakt Jezus duidelijk in de bekende geschiedenis van de voetwassing. Hij is de Meester en de Heere (Joh. 13:13-14), maar Hij oefent Zijn gezag uit in de gestalte van een dienstknecht: Hij wast de voeten van Zijn discipelen. Gezag is de macht om te dienen. Daarom is een goede gezagsdrager niet gewelddadig, maar traag tot toorn, barmhartig en vergevingsgezind.

Toevertrouwd

Wat betekent dit voor het onderwijs? In de eerste plaats: docenten hebben gezag. Dat wordt aan hen toevertrouwd door de overheid, in wier dienst ze staan, en ook door de ouders, die hun kinderen aan hun zorg toevertrouwen. Overheid en gezin zijn door God gewilde gezagsinstanties, dus ten diepste ontleent een docent zijn gezag aan God, Die door deze instellingen de wereld in stand houdt en regeert.

Gezag hoeft een docent dus niet te verdienen, dat heeft hij. Niet vanwege zijn persoon, maar vanwege zijn rol. Tegelijk is er een nauwe relatie tussen die beide. De erkenning van gezag hangt voor een groot deel af van iemands houding en van de manier waarop hij het uitoefent.

Waar docenten zich inspannen om hun gezag uit te oefenen overeenkomstig Gods Woord –met wijsheid, in de vreze des Heeren en in de stijl van Christus– zal dit gezag veel gemakkelijker geaccepteerd worden dan wanneer een docent met de botte bijl regeert en reageert. Hij heeft wel gezag, maar hij maakt het niet waar. Juist het besef dat gezag in Naam van de Heere uitgeoefend wordt, betekent ook dat dit dient te gebeuren in afhankelijkheid van de Heere.

Waar een docent dat doet, zal zijn leven getekend worden door wijsheid en een houding die iets weerspiegelt van de houding van de Heere Jezus. Dat is de beste manier waarop gezag ingang vindt, omdat de ander dan proeft dat de leraar het goede met hem of haar voorheeft. De docenten aan wie velen de beste herinneringen hebben, vielen niet alleen op door hun onderwijskwaliteiten, maar vooral door hun houding van ootmoed, mildheid en liefde – vruchten van de vreze des Heeren en de omgang met Hem. Of, zoals hogeschoolbestuurder Kees Boele het zegt: „Studenten onthouden niet wat je hun probeert te leren, ze onthouden wie je bent.”

Verplichting

Op ouders, scholen en kerken rust de verplichting om kinderen deze noties mee te geven en in te scherpen, zodat docenten hun gezag niet hoeven te verdienen, maar krijgen; omdat God het zo wil. Ouders en kinderen beseffen dat ook in dit opzicht geldt dat in het houden van Gods geboden groot loon ligt.

Dat betekent dat een orthodox-christelijke school tegendraads is. Tegendraads omdat gezag niet berust op een onderlinge afspraak, maar op een heilzame instelling van God. Tegendraads omdat ouders en kinderen vanuit gehoorzaamheid aan de Heere deze instelling van God respecteren. Tegendraads omdat zo niet de leerling centraal staat, niet de ouder en niet de docent, maar God.

‘Gezag verdient hernieuwde waardering’, artikel ‘Toegespitst’, Reformatorisch Dagblad, 21-04-2018