Alle voorgangers in Nederland ontvingen onlangs een schrijven met daarin het verzoek de zondag als rustdag te heroverwegen. Wie de zondag viert, gedenkt eigenlijk een besluit van een keizer en een paus, genomen in de vierde eeuw. De zondagsviering is niet meer dan traditie die niet gestoeld is op de Schrift.

Volgens de auteur is er sprake van onrust op dit punt, onrust die ertoe geleid heeft dat „steeds meer christenen de rustdag zijn gaan verplaatsen.” Wie geen vreemde in kerkelijk Nederland is, weet dat dit inderdaad het geval is. Zo komen in de Alblasserwaard tientallen christenen, veelal met een reformatorische achtergrond, op zaterdag samen. Zij willen –aldus de auteur – „de stem van de Vader volgen” in plaats van ”de traditie”. Dat lijkt te impliceren dat wie de zondag houdt, niet de stem van de Vader volgt. De verwijzing naar Jakobus 2 –wie in één punt struikelt blijft ten aanzien van alle geboden in gebreke– lijkt dit te versterken. Een forse beschuldiging. Maar klopt het ook? Een repliek.

Schepping

Wie de rustdag wil begrijpen, moet niet beginnen bij de Tien Geboden maar bij de schepping. Genesis 2 meldt dat God op de zevende dag „rustte” (Genesis 2:2). Dit betekent niet dat Hij uitgeput was van Zijn werk. ”Sjabat” kan ook gewoon ”ophouden” betekenen. Alles wijst erop dat deze zevende dag een aparte status krijgt ten opzichte van de andere dagen. In de eerste plaats wordt er gezegd dat God de zevende dag ”zegende” en ”heiligde”.

Vervolgens is er met de zevende dag iets merkwaardigs aan de hand. Anders dan de voorgaande dagen lezen we niet dat het avond en morgen was geweest (vgl. 1:5, 8 e.v.). De rustdag heeft een open eind, hij stopt niet. Wat dat betekent, zien we straks. In elk geval is er alle reden om te concluderen dat de sabbat –en niet de mens– het hoogtepunt van de schepping is. Dáár loopt het op uit, dat is de climax.

Vervolgens gaan we van Eden naar Sinaï. Op Sinaï vindt de huwelijkssluiting tussen God en Israël plaats; de Tien Geboden zijn de huwelijkse voorwaarden. Een van die voorwaarden is dat Israël de rustdag moet houden. Opvallend is de directe relatie die er gelegd wordt met de schepping: „Gedenk de sabbatdag dat u die heiligt (…) want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag” (Exodus 20:8, 11). Israël moet hetzelfde patroon volgen als God. Zes dagen was God actief, de zevende dag rustte Hij. En dat moet Israël ook doen.

Het is overduidelijk dat er in het Nieuwe Testament iets gebéúrt met de sabbat. Er vindt een verandering plaats van de sabbat naar de zondag. Dat heeft alles te maken met wat er met Jezus gebeurt, Zijn dood en opstanding. Op de zevende dag ligt Jezus in het graf. Op de dag dat God rustte van Zijn arbeid, rust ook Jezus van Zijn arbeid.

Kantelpunt

Maar dan wordt het zondag. En wat dan gebeurt is zo fundamenteel, zo beslissend, dat dit het kantelpunt van de geschiedenis genoemd kan worden: Jezus staat op uit de dood. Dat is het einde van de oude wereld, met zijn dood en doem. Pasen is het begin van de nieuwe schepping. Een dag zo fundamenteel dat gelovigen díé dag voortaan als het hoogtepunt van de week zien. Dat is niet iets wat de Vroege Kerk heeft verzonnen, dat is iets waar Jezus in voorgegaan is.

Hij kiest de eerste dag tot Zijn dag. Op de eerste dag van de week verschijnt Hij aan de discipelen; een week later opnieuw (Johannes 20:19, 26). Op de eerste dag van de week stort Hij Zijn Geest uit. Je ziet daarom al vroeg in de kerkgeschiedenis dat christenen die eerste dag een bijzondere plaats hebben gegeven. Handelingen 20:7 bericht hoe de discipelen op de eerste dag van de week samen komen om brood te breken en te luisteren naar de verkondiging van Paulus. Ook 1 Korinthe 16:2 –een collectevoorschrift– past in dat patroon. Paulus roept daar de gemeenteleden ertoe op om op de eerste dag van de week iets opzij te leggen; aangenomen kan worden dat dit niet thuis gebeurt, maar in de samenkomst van de gemeente.

Johannes op Patmos spreekt enkele decennia later over de zondag als de ”dag des Heeren” (Openbaring 1:9). De bewering dus dat de zondag een uitvinding van Constantijn zou zijn, berust niet op waarheid. Het is juist dat Constantijn in 321 van de zondag een algehele rustdag maakte in het Romeinse Rijk, maar in de eeuwen daarvoor vierden christenen evengoed de zondag, zoals blijkt uit vermeldingen bij Tertullianus (2e eeuw) en anderen.

Middenpositie

De vraag of het sabbatsgebod voor ons nog betekenis heeft, vraagt een hermeneutisch gekwalificeerd antwoord. De gereformeerde traditie neemt op dit punt een middenpositie in ten opzichte van hen die de blijvende geldigheid van de sabbat propageren en van hen die menen dat het vierde gebod geen geldigheid meer heeft voor christenen onder het nieuwe verbond, zoals bijvoorbeeld nieuwtestamenticus D. A. Carson.

Ten aanzien van de eersten geldt dat zij onvoldoende de dramatische betekenis van Pasen beseffen, ten aanzien van de tweeden geldt dat zij onvoldoende de relatie tussen sabbat en schepping honoreren. Wie het vierde gebod als louter ceremonieel ziet, komt onherroepelijk in de knoop met de andere negen. Niemand zal toch durven beweren dat deze ook ceremonieel zijn. Al is het waar dat christenen niet te maken hebben met de specifieke invulling van het sabbatsgebod, zoals dit voor Israël gold, waar ze wél mee te maken hebben is de schepping. En waar ze óók mee te maken hebben is: Christus, de Heer van de sabbat (Luk. 6:5), die de eerste dag van de week heiligt als Zijn dag.

De kerk ontvangt het sabbatsgebod niet uit handen van Mozes, maar uit die van Christus. Hij schaft de Wet en de Profeten niet af (Mattheüs 5:17) –dus ook niet het vierde gebod– Hij vervult ze. Die vervulling betekent niet dat het sabbatsgebod afgeschaft is en er niet meer toe doet, wel dat het een transformatie ondergaan heeft waardoor het een nieuwe betekenis en invulling heeft gekregen.

Vooruitzien

De kerk van Christus lijkt op Israël in de woestijn: verlost uit Egypte, maar nog niet thuis. Het pelgrimerende volk van God is nog niet in het Beloofde Land. Daarom is de zondag nodig. Om naar twee kanten te kijken. Enerzijds de blik naar achter, naar Goede Vrijdag en Pasen. De verkondiging proclameert het goede nieuws dat Christus gestorven is voor de zonden en opgewekt is tot onze rechtvaardiging (Romeinen 4:25). Anderzijds de blik naar voren; naar de nieuwe schepping, de toekomst van God. Want de rustdag blikt ook vooruit. De zevende dag was een dag met een open einde. Anders gezegd: een dag met een venster, een venster naar de toekomst. Juist de sabbat laat zien dat de schepping eschatologisch georiënteerd is. Deze wereld is niet het einddoel van God. Het uiteindelijke doel van God is iets hogers en beters dan deze schepping: de nieuwe schepping die dankzij Christus werkelijkheid wordt. Daarom vermeldt de schrijver van de Hebreeënbrief ook dat er „een rust overblijft voor het volk van God…”: een sabbatismos, de rust van de eeuwige sabbat (Hebreeën 4:9). In Christus is die rust al begonnen (Mattheüs 11:28). Begonnen – maar nog niet voltooid. Daarom heeft een christen de zondag nodig. Om in het geloof vooruit te zien: „Welk een dag der ruste zal dat wezen, als w’ onsterf’lijk, uit de dood verrezen, knielen voor Uw dankaltaar! Amen, Jezus, maak het waar!”

Wie zo zondag viert, mag ervaren dat de eeuwige sabbat nu al begint (zondag 38, Heidelbergse Catechismus).

‘Goed recht van de zondag’, artikel ‘Toegespitst’ in: Reformatorisch Dagblad, 22-11-2014