Als we de symboliek van de hoofdbedekking voor vrouwen in de kerk prijsgeven, is het gevaar reëel dat we ook de betekende zaak, de Bijbelse visie op man en vrouw, kwijtraken, reageert dr. M. Klaassen.

Dat mijn artikel ”De hoed en de rand” (RD 8-9) nog een staartje zou krijgen, viel te verwachten. Over dit onderwerp zijn de meningen behoorlijk verdeeld. ”Identity markers” liggen blijkbaar gevoelig. Enkele collega-predikanten gaven hun visie, waarop ik, op verzoek van de redactie, graag reageer.

Allereerst moet mij van het hart dat mijn pleidooi voor handhaving van hoofdbedekking vandaag géén pleidooi voor de hoed zonder meer betekent. De hoedenparade die in sommige kerken voorkomt, staat ver af van de eenvoudige hoofdbedekking waarover Paulus spreekt. Dat is meer een eenvoudige sjaal of sluier of, naar analogie hiervan, een eenvoudige muts of baret.

Een tweede opmerking: verschillende scribenten wijzen erop dat een pleidooi voor hoofdbedekking gepaard zou moeten gaan met een pleidooi voor andere in onbruik geraakte gewoonten, zoals de heilige kus of het bidden met opgeheven handen (ds. J. E. de Groot en ds. E. K. Teygeler, RD 14-9). Daar zou het nodige over te zeggen zijn, maar ik wil toch onderscheid maken tussen min of meer cultureel bepaalde gewoonten en het dragen van hoofdbedekking. Dat laatste is namelijk verbonden met de scheppingsorde en de daarin door God bepaalde positie van man en vrouw. Dat kunnen we toch zo van de gebedshouding of de heilige kus niet zeggen, al is er niets op tegen om dit nog steeds te doen.

De vrouwen die ds. De Groot in Peru tegenkwam, zetten in de kerk hun juist hoed af (na hem overdag tijdens het werk gedragen te hebben). Toch zou ik hun geadviseerd hebben om deze te blijven dragen, zoals Paulus dat de vrouwen in Korinthe ook voorschreef. Deze waren het trouwens overdag ook veelal gewend te doen.

Zichtbare symboliek

Wat betreft de scheppingsorde: ds. Joh. Post erkent dat dit „een belangrijk gegeven is” (RD 13-9). Hij meent echter dat de hoofdbedekking een andere functie heeft dan ik beschreef. Volgens hem „verbergt” de hoofdbedekking de scheppingsorde. In Christus is immers geen man of vrouw meer (Gal. 3:28). Dat laatste ben ik met hem eens, maar zijn betoog lijkt toch te suggereren dat de eenheid in Christus de scheppingsorde sterk relativeert. Deze gedachte kom je tegen bij meer liberale Schriftuitleggers die beweren dat de hoofdbedekking juist de scheppingsorde ophéft. De weg naar de openstelling van de ambten voor vrouwen ligt dan inderdaad niet ver meer, zoals ds. Post zelf al vermoedt, maar (gelukkig) ontkent. Paulus’ duidelijke inzet bij de scheppingsorde (Christus het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw) lijkt mij echter de tegenovergestelde richting te wijzen: de scheppingsorde geldt nog steeds en de hoofdbedekking is hier de zichtbare symboliek van.

Gelijkheidsideologie

Ook ds. S. A. Doolaard wil de scheppingsorde laten staan (RD 19-9). Deze is tijdloos, maar hij vraagt zich af of dat ook geldt voor de hoofdbedekking. Volgens hem is er in dit geval sprake van een tijdgebonden element. Waar het in Paulus’ dagen gebruikelijk was dat vrouwen iets op hun hoofd droegen, is dat vandaag niet meer zo. Daarom komt 1 Korinthe 11 in een ander licht te staan. Volgens ds. Doolaard gaat het de apostel veel meer om het emancipatorische gedrag van de vrouwen in Korinthe dan om hun dracht. Dat zal ongetwijfeld waar zijn, maar volgens mij wordt er zo een onnodig óf óf gesuggereerd. Ik denk dat het bij Paulus én én is: en gedrag en dracht. Zoals ik in mijn artikel schreef, is er niets wat aanleiding geeft om te denken dat zijn voorschrift een voorlopige, tijdelijke maatregel zou zijn die alleen in de Grieks-Romeinse cultuur van de eerste eeuw(en) zou gelden.

Ds. Doolaard suggereert dat het voorschrift vooral een vorm van aanpassing is aan een cultuur waarin iedereen, ook niet-christenen, hoofdbedekking droeg. Dat is echter niet geheel juist. Uit onderzoek naar afbeeldingen blijkt dat vrouwen ook onbedekt rondliepen. Waarmee gezegd wil zijn dat het nog maar de vraag is of Paulus’ voorschrift voortkomt uit de behoefte aan aanpassing aan de toenmalige cultuur. Dat wordt althans niet genoemd. Wat wel genoemd wordt –en daar ligt mijns inziens zijn diepste motivatie– zijn de scheppingsorde en de aanwezigheid van engelen in de samenkomst. Het „ik wil dat gij weet…” (1 Kor. 11:3) is een apostolisch voorschrift voor „allen die de Naam van onze Heere Christus aanroepen in alle plaats” (1:2). Zo heeft de traditie het in elk geval wel opgevat.

Bij verschillende kerkvaders treffen we citaten aan die ondubbelzinnig duidelijk maken dat het dragen van hoofdbedekking voor vrouwen standaard was. Zo ook bij de reformatoren. Dat is het gebleven tot in de 20e eeuw. En dan dringt de vraag zich op: Waarom is het dragen van hoofdbedekking in enkele decennia steeds meer in onbruik geraakt? Stoelt dat op nieuwe, Bijbels gefundeerde inzichten of is er gewoon sprake van aanpassing aan en capitulatie voor de tijdgeest, met zijn sterke gelijkheidsideologie? Ik vrees het laatste. Wat was anders de reden dat de vrouwenbeweging in de jaren zestig vrouwen opriep om hun hoofdbedekking te verbranden?

In dit licht zou het juist aanbevelenswaardig zijn om de symboliek te handhaven en steeds weer uit te leggen wat dit betekent. Het gevaar is anders reëel dat we met het opgeven van de hoofdbedekking ook de betekende zaak, de Bijbelse visie op man en vrouw, kwijtraken. De hamvraag is dus: laten we ons leiden door de cultuur of door Gods Woord? Als collega Doolaard een pleidooi voert om wat betreft de hoofdbedekking het ”sola Scriptura” te laten gelden, ben ik het uiteraard van harte met hem eens. Maar volgens mij kan dat maar één ding betekenen: 1 Korinthe 11 gewoon laten staan.

‘De hoed en het staartje’, in: Reformatorisch Dagblad, 21 september 2018