Is het werkverbond een contract? Die vraag stelt dr. J. Hoek in het RD (11-11). Volgens dr. M. Klaassen geeft Hoek daarin eenzijdig aandacht aan het relationele aspect van Gods omgang met mensen en gaat hij voorbij aan het legale aspect daarvan.

Dr. Hoek is ervoor beducht om de verhouding tussen God en mens voorwaardelijk te verstaan. Dat gevaar zou bestaan bij het spreken over het werkverbond. De gedachte dat Adam een ‘tegenprestatie’ moet leveren, zou de suggestie wekken dat Gods liefde voorwaardelijk is. Deze gedachtegang wekt bevreemding op. Mijns inziens is het een karikatuur die weerlegging behoeft. De gedachte van het werkverbond kwam tot bloei binnen de gereformeerde orthodoxie van de zeventiende eeuw. De relatie tussen God en Adam werd verbondsmatig gezien. In mijn recente studie ”De HEERE onze gerechtigheid” heb ik getracht aan te tonen dat daar goede Bijbels-theologische argumenten voor zijn.

De gereformeerden uit de zeventiende eeuw duidden dit verbond als werkverbond. Het ‘werk’ is dan de verplichting om God te gehoorzamen, waartoe Adam in staat was. Deed Adam dit niet, dan was het verbond tussen God en hem verbroken en volgde er een sanctie. Deed hij dit wel, dan volgde de beloning: eeuwig leven. Zijn ongehoorzaamheid maakte dit laatste echter onmogelijk. Vandaar de noodzaak van een andere Adam: Jezus Christus.

De bewering dat het werkverbond een vorm van contractdenken is, gaat terug op de Schotse theoloog Torrance, die grote moeite had met deze visie.

Deze moeite heeft mogelijk te maken met de naam. ”Werk” kan de suggestie leveren dat de mens een prestatie moet leveren om verzekerd te blijven van Gods liefde. Die suggestie wil Hoek (terecht) bestrijden. Maar zo is het werkverbond bij de beste vertegenwoordigers van de gereformeerde traditie nooit bedoeld.

Geschenk

In mijn proefschrift heb ik erop gewezen dat binnen de gereformeerde orthodoxie het werkverbond gezien werd als een pactum amicitiae: een vriendschapsverbond. Het werkverbond kan gezien worden als een liefdevolle toewending van God naar de mens. De Westminster Confessie stelt dat „God Zich vrijwillig naar hen neerboog.”

Het werkverbond is afhankelijk van de voorafgaande gunst van God. Dat de mens kon gehoorzamen, is reeds een gave van God. Dat geldt evenzeer voor de beloning van het eeuwige leven, die in geen verhouding staat tot de gevraagde gehoorzaamheid. Het recht op het eeuwige leven is dus niet zozeer gebaseerd op menselijke verdienste, als wel op Gods trouw aan Zijn verbond. Wanneer het werkverbond zo opgevat wordt, is het geen kille transactie of zakelijk contract, maar een geschenk dat voortkomt uit Gods goedheid.

Wet en genade

Oudtestamenticus Estelle heeft erop gewezen dat het verbond met Adam het karakter heeft van een vazalverdrag. God wordt geschilderd als de Eigenaar en Koning van de hof van Eden, Die Zijn vazalkoning Adam een opdracht geeft. Het werkverbond draagt dus zowel een relationeel, als een juridisch of legaal karakter: het is zowel de Heere, de God van het verbond, Die spreekt, als de Koning Die spreekt.

Het gevaar van Hoeks benadering is dat er eenzijdig aandacht gevraagd wordt voor het relationele aspect van Gods omgang met mensen, ten koste van het legale aspect. Een verbond heeft zowel kenmerken van wet als van genade. In het werkverbond gaat het niet alleen om Gods goedheid, maar evenzeer om Zijn rechtvaardigheid. Het één mag niet opgegeven worden ten koste van het ander. De kracht van de gereformeerde benadering is dat aan beide aspecten recht gedaan wordt.

‘Werkverbond geen contract, maar een geschenk’, Reformatorisch Dagblad, 18-11-2017