Lees hier het eerste deel van de dissertatie (PDF).

Lees ook de interviews, besprekingen en recensies n.a.v. de promotie.

Samenvatting

U kunt ook een samenvatting lezen van de dissertatie.

Hoofdstuk 1

Rechtvaardiging en participatie zijn metaforen die een grote plaats hebben binnen de soteriologie. Dit onderzoek traceert de resonans van deze metaforen binnen de reformatorische traditie. De motivatie hiertoe is de vaakgehoorde bewering dat er in deze traditie een spanningsvolle verhouding tussen rechtvaardiging en participatie zou bestaan. De reformatorische traditie – die de rechtvaardiging als fundamenteel beschouwt – zou moeite hebben met het denken in termen van participatie.

De klassieke reformatorische visie op rechtvaardiging – waarbij de rechtvaardiging forensisch van aard is, onderscheiden wordt van de heiliging en gefundeerd op de toerekening van de ‘vreemde’ gerechtigheid van Christus – is de laatste jaren vanuit verschillende disciplines onder vuur genomen.

Vanuit bijbels-theologische hoek stelt N.T. Wright een revisie van de traditionele visie op rechtvaardiging voor waarbij rechtvaardiging niet zozeer een soteriologische als wel een ecclesiologische functie toebedeeld krijgt. Wright wijst de gedachte van een toegerekende gerechtigheid af. Dat geldt ook voor M.A. Seifrid die meent dat de unio cum Christo de imputatie overbodig maakt. Ook meent hij dat de christocentrische benadering van rechtvaardiging en participatie die men bij Luther en Calvijn wel tegenkomt, in de tradities na hen verloren is gegaan.          In kerkhistorische kringen worden ook allerlei vragen gesteld aan de gangbare visie op rechtvaardiging. Zo meent het Finse Lutheronderzoek dat de gedachte van de participatie bij Luther veel meer centraal staat dan gedacht. Dat verhoudt zich slecht met een louter forensische benadering waarbij de Christus pro nobis geschieden wordt van de Christus in nobis. Volgens Mannermaa is rechtvaardiging bij Luther niet slechts forensisch, maar ook effectief. Ook ten aanzien van Calvijn is de laatste jaren veel aandacht gevraagd voor de centrale rol van de unio cum Christo. Er bestaat verschil van mening hoe de aandacht voor de unio zich verhoudt tot de ‘tweevoudige genade’ (duplex gratia) van rechtvaardiging en heiliging.

Vanuit systematisch-theologische hoek menen R.W. Jenson en V.-M. Kärkkaïnen dat de traditionele visie op Luther passé is geworden. Jenson meent dat de protestantse forensische rechtvaardigingsleer het gevaar loopt een fictief karakter te dragen. Luther kan hierbij hulp verschaffen, omdat deze rechtvaardiging en participatie in Christus op het allernauwst verbindt. Jenson noemt rechtvaardiging een vorm van deïficatie en meent dat Luthers visie in dezen afwijkt van de hem volgende traditie die in het spoor van Melanchthon een strikt forensische rechtvaardigingsvisie zou aanhangen. Kärkkäinen meent dat het onderscheid tussen rechtvaardiging en heiliging Luther (en het Nieuwe Testament) vreemd is, dat rechtvaardiging geen forensisch begrip is, maar meer gaat om de inwoning van Christus in het hart en dat Luthers gedachten over theosis een groot oecumenisch potentieel bieden om een brug te slaan naar andere geloofstradities. Een geheel ander geluid laat Michael Horton horen. Hij meent dat de klassiek reformatorische visie nog steeds houdbaar is, met name de gereformeerde variant met zijn nadruk op het verbond. Het verbond overstijgt de valse dichotomie tussen forensische en participatorische categorieën en biedt een sleutel om de forensische en de effectieve, de legale en de relationele, de individuele en collectieve dimensies van rechtvaardiging en unio bijeen te houden. Horton bekritiseert ook de tendens om de unio prioriteit te geven ten opzichte van de rechtvaardiging en beweert het tegenovergestelde: de rechtvaardiging heeft het primaat. Tevens neemt Horton het op voor de notie van de toerekening van Christus’ gerechtigheid aan de gelovige. Vergeving alleen is niet genoeg, de gelovige heeft ook de status van rechtvaardige nodig. Vanuit de beweging van Radical Orthodoxy met hun pleidooi voor een platoons-christelijke ontologie, bestaat kritiek op Luther, Calvijn en de gereformeerde verbondstheologie vanwege de –vermeende- verworteling in het nominalisme. Zo meent Milbank dat forensische rechtvaardiging onverenigbaar is met de gedachte van participatie. Gods rechtvaardigend oordeel maakt daadwerkelijk rechtvaardig.

Al deze vragen cirkelen vooral rond de verhouding rechtvaardiging-participatie, waarbij Luther, Melanchthon en Calvijn vaak genoemd worden. In dit onderzoek willen we deze kritiek beoordelen door een aantal vertegenwoordigers uit de reformatorische traditie te analyseren op het punt van rechtvaardiging en unio cum Christo. De spits van het onderzoek is gericht op de gereformeerde traditie. Deze is echter niet te verstaan zonder de vroege Lutherse Reformatie. Daarom worden naast Calvijn ook Luther en Melanchthon geanalyseerd. Omdat ook de na-reformatorische orthodoxie in de discussie wordt betrokken – met name op het punt van het verbond – is ook gekozen om John Owen te onderzoeken. De hoofdvraag van het onderzoek luidt: Hoe verhoudt zich de rechtvaardiging – in het bijzonder het imputatieve aspect ervan – tot de eenheid met Christus (unio cum Christo) bij Luther, Melanchthon, Calvijn en Owen?

Bij de beantwoording van deze vraag spelen een aantal historische en systematisch-theologische deelvragen een rol, zoals: Wat is de betekenis en inhoud van de imputatiegedachte? Hoe verhoudt bij de te onderzoeken theologen de rechtvaardiging zich tot de heiliging (vernieuwing)? Hoe verhoudt de notie van het verbond zich tot rechtvaardiging en unio? En historisch: Krijgt het participatorische aspect bij Luther inderdaad meer aandacht dan het forensische, zoals het Finse Lutheronderzoek en Kärkkäinen meent? Hoe is de verhouding Luther en Melanchthon op dit punt? Is de unio inderdaad het leidend beginsel van Calvijns soteriologie?

Omdat de unio cum Christo een concept is dat veel raakvlakken met andere soteriologische thema’s heeft, worden de te onderzoeken theologen waar nodig ondervraagd op het punt van de relatie tussen unio, rechtvaardiging en heiliging. Tevens zal, waar nodig, aandacht besteed worden aan elementen uit de christologie die van belang zijn voor de vraagstelling. De focus op de unio ligt met name vanuit de relatie met de rechtvaardiging en niet vanuit aanverwante raakvlakken zoals verkiezing of sacramentsleer. De hoofdstukken volgen een identiek patroon waarbij in het eerste gedeelte aan de hand van een aantal geschriften een beschrijving gegeven wordt van de soteriologie van de auteur aan de hand van enkele van zijn geschriften. Dit gedeelte is descriptief van aard; het tweede gedeelte bestaat uit een (systematisch-theologische) analyse.

De relevantie van dit onderzoek is drieledig: a) rechtvaardiging en participatie zijn ‘hot topics’ in het huidige theologische discours. Tegelijk bestaat er veel onduidelijkheid en tegenstrijdige claims. Dit onderzoek beoogt een bijdrage te leveren aan dit debat door de verhouding tussen rechtvaardiging en unio helder te krijgen. Zo kunnen tegenstrijdige claims ontrafeld worden en kan er conceptuele duidelijkheid geschapen worden. B) Dit onderzoek beoogt tevens bouwstenen aan te dragen voor een verantwoord systematisch-theologisch model van rechtvaardiging en participatie. C) Daarnaast heeft het onderzoek ook oecumenische en ecclesiologische relevantie, gezien de grote rol die de thematiek van de participatie speelt in het oecumenische gesprek. 

Hoofdstuk 2

(a) Luthers rechtvaardigingsleer is uniek te noemen, omdat deze zich ontwikkelde in het loskomen van het hem overgeleverde middeleeuwse denkkader. In dit kader werd rechtvaardiging vooral als een proces beschouwd waarin de gelovige mens gaandeweg getransformeerd wordt. Luthers zogeheten ‘reformatorische ontdekking’ bracht hem tot het inzicht dat Gods gerechtigheid niet de maatstaf is waaraan de christen aan het eind van zijn loopbaan gemeten wordt, maar de gave die hem door het geloof in Christus reeds nu geschonken wordt (iustitia Dei = iustitia Christi). Zo is de boodschap van Gods gerechtigheid evangelie (vgl. Rom. 1:16,17), want hierin openbaart zich de gerechtigheid van Christus die de gelovige geschonken wordt. Luthers rechtvaardigingsleer is niet eenvoudig onder te brengen in latere terminologie. Hij gebruikt de terminologie van de rechtvaardiging op twee manieren: zowel voor de forensische vrijspraak voor God als voor de actuele vernieuwing van de gelovige. V.M. Kärkkäinens bewering dat de rechtvaardiging bij Luther geen forensisch begrip is, is in zoverre juist dat het geen strikt forensisch begrip is. T. Mannermaa noemt de rechtvaardiging bij Luther zowel forensisch als effectief. Het klopt dat Luther het begrip ‘rechtvaardiging’ voor zowel de forensische rechtvaardiging als de effectieve vernieuwing gebruikt. Rechtvaardiging is herschepping en dus een proces dat begin, ontwikkeling en voltooiing van het christelijke leven omvat. Dat Luther de forensische rechtvaardiging echter wel weet te onderscheiden van de vernieuwing, dat hij de forensische rechtvaardiging als primair beschouwt en de vreemde gerechtigheid van Christus nadrukkelijk afbakent van de eigen gerechtigheid van de gelovige, zijn door ons gevonden gegevens die Kärkkäinen en Mannermaa onvoldoende honoreren. Tegelijk moet gezegd worden dat Luthers spreken systematisch lastig te ‘pakken’ is. Waar hij zoals we zagen enerzijds gratia en donum onderscheidt, horen anderzijds geloof, Christus, de rechtvaardiging en de vernieuwing zo onlosmakelijk bij elkaar dat er met regelmaat een zekere ‘overlap’ ontstaat. Er is bij hem geen strikte scheiding tussen unio, rechtvaardiging en heiliging, voor hem vormt dit een onverbrekelijke eenheid: ‘Fides, Christus, Acceptatio vel Reputatio coniuncta sunt’.[1] Deze vormen geen tegenstelling, maar staan veeleer in een harmonisch verband.

(b) Wat de imputatie betreft, zagen we dat Luther daarover op twee manieren spreekt. Hij onderscheidt: 1) de non-imputatie van de zonde en 2) de imputatie van het geloof (imputatio fidei) tot gerechtigheid. Over een imputatie van de gerechtigheid van Christus (imputatio iustitiae Christi) spreekt hij – zoals we in paragraaf 2.8.1 zagen – niet expliciet. Soms heeft men daar grote theologische betekenis aan gehecht. Wij menen echter, dat bij Luther een toerekening van de gerechtigheid van Christus aan de gelovige materieel wel degelijk aanwezig is. Deze valt feitelijk samen met de tweede genoemde vorm van imputatie: die van het geloof dat tot gerechtigheid gerekend wordt. Omdat Christus zelf in het geloof aanwezig is, deelt de gelovige in de gerechtigheid die Hij door Zijn weg en werk verworven heeft.

(c) In de geschriften na Luthers reformatorische doorbraak krijgt de unio cum Christo een prominente plaats in het hart van zijn soteriologie. Deze wordt het dragend principe (J. Lutz) van zijn theologie. In het geloof is Christus zelf aanwezig. Het geloof rechtvaardigt omdat het de schat Christus heeft.[2] De unio is de basis van zowel de rechtvaardiging als de vernieuwing van de gelovige, omdat ze zowel een imputatief als een effectief element in zich draagt. Het Finse Lutheronderzoek en onder andere M. Seifrid menen dat het participatorische aspect bij Luther meer aandacht krijgt dan het forensische. Het is inderdaad waar dat de unio in Luthers soteriologie voorop staat. Dit gaat echter niet ten koste van het forensische aspect. We zagen dat het forensische aspect gaandeweg alleen maar aan betekenis wint. Het forensische en het effectieve element zijn aspecten van de unio. De bewering dat de unio bij Luther de imputatie overbodig maakt (zo Seifrid) of dat de rechtvaardiging opgaat in de unio (zo R.W. Jenson) is dus ongegrond.

(d) Ook de vernieuwing van de gelovige vindt bij Luther zijn basis in de unio cum Christo. De gelovige deelt niet alleen in de vreemde gerechtigheid van Christus, maar wordt ook zelf rechtvaardiger. De inwoning van Christus in de gelovige maakt dat het geloof niet dood kan zijn, maar vrucht draagt in goede werken. Luther betitelt deze goede werken als gerechtigheid en ziet hier ook progressie in.

(e) Als het gaat over rechtvaardiging en vernieuwing in relatie tot de unio spreekt Luther over iustitia prima et secunda. Met het eerste doelt hij op de extrinsieke gerechtigheid van Christus, met het tweede op de intrinsieke gerechtigheid die het gevolg is van de vernieuwing van de gelovige. Dit duidt hij tevens aan met de tweeslag gratia en donum, waarbij de gratia staat voor Gods genadige gezindheid en het donum voor de vernieuwende werking van de Geest. We constateerden dat Luther hierbij steeds de extrinsieke gerechtigheid, de gratia, voorop stelt. Vanuit deze bevindingen kunnen we antwoord geven op de bewering van Kärkkäinen dat het onderscheid tussen rechtvaardiging en heiliging Luther vreemd zou zijn. Dat is in zoverre waar dat Luther de terminologie van de heiliging niet gebruikt. Echter, het is onjuist om te denken dat hij geen onderscheid zou maken tussen de (forensische) rechtvaardiging en de vernieuwing van de gelovige.

We concluderen dat Luther, denkend vanuit de centrale positie van de unio cum Christo, een grote plaats toekent aan de (forensische) rechtvaardiging en – in het verlengde hiervan – de vernieuwing van de gelovige.

Hoofdstuk 3

Een analyse van Melanchthon is op zijn plaats vanwege de veelgehoorde bewering dat zijn forensische visie op de rechtvaardiging een afwijking zou zijn van Luther. Door middel van een analyse van een aantal geschriften van Melanchthon – de Loci Communes 1521, de Apologia (1530-’31), het Antwort auff das Buch Hernn Andreae Osiandri von der Rechtfertigung des Menschen (1552) en de Heubtartikel Christlicher Lere (1553) – wordt Melanchthons visie op rechtvaardiging, heiliging en unio inzichtelijk.

(a) Melanchthon ontwikkelt zijn rechtvaardigingsleer in nauwe relatie met zijn visie op de wet. De schuldige mens die niet meer in staat is Gods wet te vervullen, ontvangt door het geloof de door Christus’ gehoorzaamheid verworven gerechtigheid. Bij Melanchthon signaleerden we een ontwikkeling van een primair effectieve rechtvaardigingsleer naar een primair forensische, die echter nooit louter forensisch wordt. Mannermaa en Seifrid hebben dan ook geen gelijk wanneer ze menen dat er bij Melanchthon sprake zou zijn van een louter forensische rechtvaardigingsopvatting. Daar is bij Melanchthon geen sprake van. Bij de rechtvaardiging hoort zowel het gratia van de vergeving als het donum van de Geest, want Melanchthon schaart ook de gave van de Geest onder de rechtvaardiging. Net als bij Luther is de gratia primair ten opzichte van het donum. De stelling van Seifrid dat Luther en Melanchthon ‘dramatisch’ van elkaar verschillen op het punt van de rechtvaardiging, is overtrokken. Bij beiden is sprake van een toenemende accentuering van het forensische aspect van de rechtvaardiging. Bij beiden ligt het zwaartepunt in de toerekening van Christus’ vreemde gerechtigheid. Er is geen sprake van ‘of-of’; wel van een zoeken naar de juiste verhouding tussen het forensische en het effectieve moment in de rechtvaardiging. Daarbij is duidelijk dat de latere Melanchthon meer het onderscheid tussen beide momenten benadrukt en als eerste de terminologie van ‘rechtvaardiging’ en ‘heiliging’ bezigt.

(b) Melanchthon leert zowel de non-imputatie van de zonde, de imputatie van het geloof als de imputatie van Christus’ gerechtigheid. Zijn gehoorzaamheid bedekt onze zonde. Deze visie kwam hem op harde kritiek van Osiander te staan.

(c) Het grote verschil tussen Luther en Melanchthon zit in de uiteenlopende articulatie van de betekenis van de unio. Volgens Mannermaa heeft Melanchthon Luthers uniotheologie verdrongen. Ons onderzoek toont aan dat we Mannermaa op dit punt moeten bijvallen. Bij Melanchthon heeft de unio niet de centrale betekenis die deze voor Luther heeft. Hij ontkent deze niet, maar spreekt er zelden over. Daardoor wordt de onderlinge samenhang tussen rechtvaardiging en vernieuwing niet goed helder.

(d) Volgens Melanchthon ontvangt de gelovige met de gratia van de vergeving ‘zugleich’ het donum van de Geest die ons vernieuwt. Het donum wordt door hem niet zozeer christologisch als wel pneumatologisch verstaan. De door de Geest gewerkte vernieuwing resulteert in de gehoorzaamheid van de gelovige aan de normen van Gods wet. Deze vernieuwing is echter partieel zodat de toerekening van Christus’ gerechtigheid onmisbaar blijft.

(e) Melanchthon zit wat betreft de verhouding rechtvaardiging-heiliging op dezelfde lijn als Luther. De gave van de vernieuwing is onlosmakelijk verbonden met de genade van de vergeving. De latere Melanchthon maakt, meer dan Luther, onderscheid tussen het forensische en het effectieve element in de rechtvaardiging. Als eerste bezigt hij daarvoor de terminologie van ‘rechtvaardiging’ en heiliging’. Beide zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Hoewel hij duidelijk stelt dat de gelovige deel heeft aan al de weldaden van Christus (en dus niet alleen rechtvaardiging, maar ook wedergeboorte of heiliging) weet hij onvoldoende duidelijk te maken hoe deze twee zich tot elkaar verhouden. De kritiek van K. Holl dat Melanchthon de noodzaak van vernieuwing niet meer inzichtelijk kan maken, bevat een kern van waarheid. Melanchthon bepleit de onopgeefbare verbondenheid van rechtvaardiging en heiliging, maar had dit veel sterker inzichtelijk kunnen maken als hij zijn uitgangspunt genomen had in de unio cum Christo en ze, net als Luther en Calvijn, in nauwe relatie had gebracht tot deze unio.

Hoofdstuk 4

Een analyse van Calvijns visie op rechtvaardiging en unio is van belang om te zien of en in hoeverre de gereformeerde reformatie overeenkomt of verschilt met de ‘founding fathers’ van het Lutheranisme. In dit hoofdstuk wordt aan de hand van een analyse van verschillende edities van de Institutie (1536, 1539 en 1556), Calvijns brief aan Sadoletus en het Romeinencommentaar 1540 de grondlijnen van Calvijns soteriologie inzichtelijk gemaakt.

(a) Net als Melanchthon spreekt ook Calvijn over de rechtvaardiging in nauw verband met de wet. Christus volbrengt de gehoorzaamheid aan God op die de mens niet meer op kan brengen. De rechtvaardiging is gebaseerd op de gehoorzaamheid die Christus in zijn menselijke natuur opgebracht heeft. Deze gehoorzaamheid is de basis van de gerechtigheid die de gelovige toegerekend wordt. Anders dan bij Luther wiens rechtvaardigingsleer zich zoekenderwijs ontwikkeld heeft, kenmerkt Calvijns visie op de rechtvaardiging zich vanaf het begin door een sterke eenduidigheid. De grondstructuur van zijn soteriologie – de duplex gratia van rechtvaardiging en vernieuwing, verworteld in de unio cum Christo – is reeds vanaf de eerste editie van de Institutie zichtbaar. Calvijns rechtvaardigingsleer is ondubbelzinnig forensisch van aard. De vernieuwing schaart hij niet, zoals Luther en Melanchthon, onder de rechtvaardiging, maar onder de koepel van de unio. Vanuit deze constatering kunnen we de these van M.S. Horton, zoals we die in hoofdstuk 1 tegenkwamen, bestrijden. Waar volgens Horton de rechtvaardiging bij Calvijn de bron is van de unio, blijkt overduidelijk dat het precies andersom is: de unio is de bron van de rechtvaardiging.

(b) Calvijn spreekt geregeld over de toerekening van het geloof tot gerechtigheid. Dat staat complementair naast de toerekening van Christus’ gerechtigheid. De rechtvaardiging bestaat uit twee aspecten: de non-imputatie van de zonde (de vergeving) en de toerekening van Christus’ gerechtigheid.. Volgens Osiander maakt de unio deze echter overbodig. De gelovige heeft immers door de vereniging met Christus deel aan diens essentiële gerechtigheid en wordt zodoende rechtvaardig gemaakt. Calvijn ziet hierin een ongewenste vermenging van rechtvaardiging en heiliging. Zijn debat met Osiander heeft aangetoond dat de imputatie voor Calvijn onopgeefbaar is en niet opgeofferd kan worden aan de unio cum Christo (zoals bij Osiander). Door de imputatie te wortelen in de unio voorkomt hij dat de imputatie ‘legal fiction’ wordt. Er is geen imputatie zonder transformatie.

(c) Bij Calvijn neemt de participatie aan Christus dezelfde grote plaats in als bij Luther. Door het geloof heeft men deel aan de persoon en weldaden van Christus. Zowel in zijn commentaren als in de verschillende edities van de Institutie is het toenemende belang van de unio zichtbaar. We noemden de unio in hoofdstuk 4 de naaf die allerlei spaken van zijn theologie vasthoudt.  In het debat met Osiander heeft Calvijn zijn visie op de unio verduidelijkt: het is geen vermenging van de persoon van Christus en de gelovige, maar het betreft een geestelijke gemeenschap: de Geest is de band tussen Christus en de gelovige. In antwoord op de recente discussie of er bij Calvijn mogelijk ruimte is voor de gedachte van de deïficatie van de gelovige menen we dat dit niet het geval is. Volgens Calvijn is de gelovige verbonden met de menselijke natuur van Christus, niet de goddelijke.

(d) De onverbreekbare verbinding tussen rechtvaardiging en vernieuwing was Calvijns antwoord op de beschuldiging van rechtvaardiging als ‘legal fiction’. Men kan Christus niet tot rechtvaardiging ontvangen als men Hem niet ook tot heiliging ontvangt. In dit levenslange proces wordt de gelovige door de inwoning van de Geest meer en meer geconformeerd naar Christus door te sterven aan de zonde en op te staan tot nieuw leven. Net als bij Melanchthon speelt de oriëntatie op de wet hierbij een belangrijke rol. De goede werken van de gelovigen zijn God om Christus’ wil aangenaam. Zo wordt de gelovige ook uit zijn werken gerechtvaardigd. Deze dubbele rechtvaardiging is een typisch calvijnse gedachte waarmee hij ernst maakte met enerzijds de bijbelse aansporingen op dit punt en anderzijds de verwijten van rooms-katholieke zijde dat de leer van de rechtvaardiging de goede werken overbodig maakt.

(e) Bij Calvijn is sprake van een voortdurende zoektocht om het forensische en participatorische element van de soteriologie met elkaar te verbinden. Vooral de becommentariëring van de Paulinische brieven (met name de Romeinenbrief) is hierbij van grote betekenis geweest. Denkend vanuit Christus probeert Calvijn rechtvaardiging en heiliging op de unio cum Christo te betrekken. Dat levert een triangel op: vanuit de unio volgt de tweevoudige genade van rechtvaardiging en heiliging. Deze vormen een ondeelbare eenheid. Telkens weer komt 1 Korinthe 1: 30 terug: Christus is gegeven tot rechtvaardiging en heiliging. De rechtvaardiging losmaken van de heiliging betekent het uiteenscheuren van Christus. We zagen in hoofdstuk 1 dat er discussie bestaat over de vraag naar de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging bij Calvijn. Zo stelt C.B. Carpenter dat voor Calvijn de ‘ordo’, de prioriteit van de rechtvaardiging ten opzichte van de heiliging niet van belang was. Volgens M.A. Garcia is er bij Calvijn geen sprake van een ‘ordo salutis’ waarbij de heiliging op de rechtvaardiging volgt. Dat is echter niet juist. Net als Luther en Melanchthon benadrukt Calvijn de prioriteit van de (forensische) rechtvaardiging. Binnen de eenheid van de unio is tegelijk sprake van een ordo. Door de vooropstelling van de rechtvaardiging wordt voorkomen dat de zekerheid van het geloof bedreigd zou worden.

Hoofdstuk 5

In hoofdstuk 5 bezien we John Owen, een 17e eeuwse vertegenwoordiger van de gereformeerde orthodoxie, gestalte geeft aan rechtvaardiging en unio cum Christo binnen de context van de foederaaltheologie. Centraal staan hierbij vooral zijn The Doctrine of Justification by Faith Alone en zijn Of Communion with God the Father, Son and Holy Ghost.

(a) Voor Owen is de rechtvaardiging één van de vormen van genade waaraan de gelovige in gemeenschap met Christus deel heeft. Net als Calvijn vat Owen het begrip ‘rechtvaardigen’ strikt forensisch op: Christus is de formele oorzaak van de rechtvaardiging en het geloof de instrumentele oorzaak. Het eigene van Owens rechtvaardigingsleer is dat deze in de context staat van de verbondsleer. Het verbond overkoepelt zowel de christologie als de soteriologie. In Owens optiek is er sprake van drie verbonden: het werkverbond, opgericht met Adam, het genadeverbond, opgericht met Christus en het verbond achter de verbonden: het verbond der verlossing (pactum salutis, het intratrinitaire verdrag tussen Vader, Zoon en Heilige Geest). In het genadeverbond, als keerzijde van het verbond der verlossing (pactum salutis) verwerft Christus door Zijn gehoorzame leven en lijden gerechtigheid. Dat is de basis van de rechtvaardiging die in de gemeenschap met Christus en het geloof geactualiseerd wordt. De verankering van de rechtvaardiging in het pactum salutis geeft Owens visie een trinitarisch karakter. Het zorgt tevens voor een eigen problematiek: steeds moet Owen zich hoeden voor het gevaar dat de eeuwigheid de tijd en de historie verzwelgt en overbodig maakt.

(b) In de toenmalige discussie rond de imputatie van Christus’ gerechtigheid kiest Owen nadrukkelijk stelling. Hij is het niet eens met hen die beweren dat de imputatieleer gevaarlijk zou zijn omdat ze de noodzaak van gehoorzaamheid en goede werken in gevaar zou brengen. De imputatie is gefundeerd op de vereniging met Christus. Zoals de zonden van de gelovigen Hem toegerekend worden, wordt Zijn gerechtigheid hun toegerekend. Owen meent dat zowel Christus’ actieve als passieve gehoorzaamheid de gelovige wordt toegerekend. Dat hangt nauw samen met zijn verbondstheologie: Christus is degene die het verbroken werkverbond vervult en in Adams plaats zowel gehoorzaam de wet vervult (actieve gehoorzaamheid) als de vloek van de wet draagt (passieve gehoorzaamheid).

(c) Net als bij Luther en Calvijn vormt de unio het hart van Owens soteriologie. De unio stoelt op het verbond der verlossing en vormt het fundament van de rechtvaardiging en de vernieuwing waar de gelovige binnen het kader van het genadeverbond deel aan krijgt. Christus en de uitverkorenen vormen één mystieke persoon. Verenigd met Christus, met wie de gelovige verbonden is door de band van de Geest, deelt de gelovige in al Zijn weldaden. Owen spreekt over de vernieuwde natuur van de gelovige als Christus’ natuur in ons. De unio staat bij Owen in het kader van de devotie: ze vormt het uitgangspunt voor de gelovige omgang met Christus (communio cum Christo) waar hij als puritein grote aandacht aan besteedde. De benadering van de unio brengt een eigensoortige problematiek met zich mee: omdat Owen de unio herleidt tot het pactum salutis, lijkt het of de functie van het geloof onder druk komt te staan. Owen ontkent dat echter; hoewel de gelovigen per decreet met Christus verenigd zijn, blijft de functie van het geloof onmisbaar: het ontsluit de unio in de tijd. Zo probeert hij recht te doen aan het eeuwigheids- en tijdsaspect van de unio en de beschuldiging van antinomisme te ontlopen.

(d) De unio cum Christo leidt volgens Owen tot de vernieuwing van de gelovige. In de vereniging met Christus ontvangt de gelovige een nieuwe natuur die feitelijk niets minder is dan de goddelijke natuur van Christus. Ook de heiliging staat in het teken van de verbondsgedachte: het is het werk van de Geest, gebaseerd op het werk van Christus en gericht op de vernieuwing naar Zijn beeld. Owen heeft voluit ernst gemaakt met de oproep tot heilig leven en het doen van goede werken. Owen is er nooit toe overgegaan de rechtvaardiging en de toegerekende gerechtigheid van Christus zó te benadrukken, dat dit ten koste gaat van de heiliging, zoals dat het geval was bij de antinomianen. De verbinding van de heiliging aan de unio maakte dit ook onmogelijk. De Geest reinigt van de besmetting van de zonde en bewerkt tevens een beginsel (‘principle’) van heiligheid en gehoorzaamheid in ons. Verstand en hart, wil en genegenheden worden vernieuwd. Die vernieuwing is nooit voltooid, maar kent wel progressie.

(e) Owen houdt rechtvaardiging en heiliging bijeen door ze te funderen in de unio en te plaatsen onder de overkoepeling van het genadeverbond: de rechtvaardiging is de belofte van het verbond en de heiliging de verplichting van het verbond – zonder hiermee overigens te ontkennen dat de heiliging tegelijk ook gave zou zijn.

Tot slot: Ons onderzoek naar Owen werd ingegeven door de stelling van Horton dat een benadering vanuit het verbond de sleutel is om zowel de forensische en de effectieve, de legale en de relationele, de individuele en de collectieve dimensies van rechtvaardiging en unio bijeen te houden. Resumerend kunnen we zeggen dat Owen hier inderdaad in slaagt en daarmee de kracht van een benadering vanuit het verbond heeft aangetoond. Deze overwegingen bieden tegenwicht aan de bewering dat de notie van het verbond een sta in de weg zou zijn voor de participatie in God/Christus (zo Radical Orthodoxy). Dat gaat in elk geval voor Owen zeker niet op. Met behulp van het verbond (de verbonden) weet hij eeuwigheid en tijd, historia salutis en ordo salutis, christologie en soteriologie, rechtvaardiging en heiliging aan elkaar te verbinden.

Hoofdstuk 6

Vanwege de centrale betekenis die binnen de reformatorische traditie aan Paulus wordt toegekend, met name met betrekking tot de rechtvaardiging, wordt het onderzoek afgesloten met een bijbels-theologische reflectie op de betekenis van rechtvaardiging en unio bij Paulus. Deze bevindingen zijn van belang voor de weging van de onderzoeksgegevens en de aanbevelingen die in hoofdstuk 7 gegeven zullen worden.

Rechtvaardiging kent bij Paulus een soteriologische (verticaal) en een ecclesiologisch (horizontaal) element. De rechtvaardiging biedt enerzijds een antwoord op het probleem van de menselijke zonde door de schuldige mens vrijspraak te bieden op grond van Jezus’ dood en opstanding, anderzijds verklaart het hoe heidenen deel krijgen aan het ene volk van God. Hierbij is het soteriologische aspect primair ten opzichte van het ecclesiologische. Het is allereerst een ‘transfer’-term die de transitie aangeeft van toorn naar genade. Acceptatie onder het volk van God is een resultaat van de acceptatie door God. Rechtvaardiging draagt een forensisch karakter, het verwijst naar de rechtvaardige status die God de mens verleent. De transformatie van de gelovige – hoewel onlosmakelijk verbonden aan de rechtvaardiging – dient niet onder de noemer van de rechtvaardiging geschaard te worden.

Vanaf de 19e eeuw heeft de thematiek van de participatie in Christus een sterke impuls gekregen in het Paulusonderzoek. Vaak betekende dit dat afstand genomen werd van de centrale rol die aan de rechtvaardiging werd toegekend. Inderdaad kent Paulus een grote betekenis toe aan het zijn in Christus (unio cum Christo). De terminologie komt ruim honderdvijftig keer voor bij de apostel en is een rode draad in het web van Paulus’ theologie. Het is een metaforische verwoording van de geloofswerkelijkheid dat de gelovige geworteld is in en verbonden aan hetgeen zich in Christus voltrokken heeft. Paulus’ spreken over ‘in Christus’ is een idioom dat, afhankelijk van de context, Christus als instrument, wijze van handelen als wel locatie aan kan duiden. De unio heeft een pneumatologisch gehalte en voltrekt zich door de Geest die sinds Christus’ verhoging op het allernauwst aan Hem verbonden is.

Wat betreft de verhouding unio en rechtvaardiging: de rechtvaardiging dient beschouwd te worden als een aspect van de unio cum Christo. De rechtvaardiging staat met name in nauw verband met de opstanding van Christus. De opstanding van Christus is Zijn rechtvaardiging. Krachtens hun participatie in Christus’ opstanding delen de gelovigen ook de rechtvaardiging van Christus.

De rechtvaardiging kan geduid worden als het forensische aspect van de unio. Naast dit forensische aspect kent de unio ook een transformatief element. Het forensische, participatorische en transformatieve staan bij Paulus noch in spanning met elkaar, noch willekeurig naast elkaar, maar horen onlosmakelijk bij elkaar.

Tenslotte wordt ingegaan op de betekenis en geldigheid van het concept van imputatie bij Paulus. In de reformatorische traditie wordt rechtvaardiging veelal opgevat als de non-imputatie van de zonde en de imputatie van Christus’ gerechtigheid. Bij veel bijbelwetenschappers bestaat twijfel over de juistheid van de imputatiegedachte. Zij zien wel ruimte voor de non-imputatie van de zonde, maar niet voor de toerekening van Christus’ gerechtigheid. Ook menen ze dat de gedachte van de unio cum Christo de toerekening van Christus’ gerechtigheid overbodig maakt: men deelt al in Christus, dus waarom is imputatie nog nodig? Wij menen dat, hoewel Paulus de expliciete terminologie mist, zijn theologie wel de bouwstenen bevat voor een concept van imputatie. Imputatie kan beschouwd worden als een synthetische manier om een aantal thema’s uit Paulus’ rechtvaardigingsleer bij elkaar te brengen. Daarom is het niet nodig om imputatie en unio tegen elkaar uit te spelen. Wel is het van belang om beide concepten dicht bij elkaar te houden. De imputatiegedachte kan alleen verstaan worden vanuit de gedachte van de identificatie van de gelovige met Christus in Zijn dood en opstanding. Binnen de unio kan de imputatie dan verstaan worden als de juridische basis van de rechtvaardiging. Tevens helpt het concept om inzichtelijk te maken hoe binnen de eenheid van de unio toch het onderscheid tussen Christus en de gelovige gehandhaaft blijft.

Hoofdstuk 7

In hoofdstuk zeven wordt de balans opgemaakt. Dat geschiedt door a) een evaluatie van de onderzoeksgegevens in het licht van de hoofdvraag van het onderzoek, b) een ijking in het licht van Paulus, waarna het hoofdstuk afgesloten wordt met een aantal aanbevelingen voor het systematische-theologische gesprek over rechtvaardiging en participatie.

In hoofdstuk 1 werd een breed gedragen kritiek geschetst: de reformatorische traditie zou verlegen zijn met de verhouding tussen rechtvaardiging en het denken in termen van participatie in de soteriologie en veelal voor een eenzijdig forensische benadering van de soteriologie kiezen. Aangetoond is echter dat dit beeld –althans wat betreft de door ons onderzochte theologen – niet juist of onvolledig is. Zij hebben elk op hun manier plaats voor de nieuwtestamentische metaforen van participatie, rechtvaardiging en vernieuwing. Bij zowel Luther, Calvijn en Owen speelt de unio een dragende rol in de soteriologie. Zij hebben zowel de onderscheidenheid als de eenheid van rechtvaardiging en vernieuwing gefundeerd in de unio. Het is alleen Melanchthon die hierin afwijkt en daarom de relatie tussen rechtvaardiging en heiliging niet goed inzichtelijk kan maken.

Waar verschillende ‘nieuwe perspectieven’ terecht gewezen hebben op de fundamentele plaats van de unio bij Luther en Calvijn, constateren we dat hierbij vaak te weinig oog is voor de even fundamentele plaats die deze theologen aan de forensische rechtvaardiging en imputatie toekennen.

De door ons onderzochte theologen zijn in hun soteriologie vergaand congeniaal met Paulus. Dat blijkt ondermeer uit de forensische karakter dat aan de rechtvaardiging toegekend wordt, waarbij met name Calvijn en Owen dicht bij Paulus staan. De zo centrale imputatieleer kan in nuce ook tot Paulus herleid worden. Ook de grote betekenis die aan de participatie in Christus toegekend wordt en het verstaan van de rechtvaardiging als aspect van de unio delen Luther, Calvijn en Owen met Paulus. Dat geldt ook voor de gedachte dat God niet rechtvaardigt zonder de vernieuwing te beogen.

Het onderzoek wordt afgesloten met een aantal aanbevelingen voor het huidige debat over rechtvaardiging en participatie:

  • De door ons onderzochte theologen en Paulus duiden rechtvaardiging primair als een soteriologische en forensische werkelijkheid. Deze noties betekenen dat rechtvaardiging niet tot een sociologisch of ecclesiologisch gebeuren gereduceerd kan worden.
  • Systematisch-theologisch spreken over de soteriologie dient een centrale plaats aan de unio cum Christo toe te kennen. Het is de accolade om het hele christelijke leven. Rechtvaardiging dient altijd in verband gebracht te worden met de unio. Calvijns driehoek van unio en de duplex gratia van rechtvaardiging en vernieuwing kan in dit verband goede diensten bewijzen.
  • Reformatorisch spreken over participatie in Christus en God dient zorgvuldig te gebeuren. Hierbij moet het fundamentele onderscheid Schepper-schepsel in het oog gehouden worden. Er kan geen vermenging plaats vinden van de goddelijke en de menselijke substantie. Calvijns debat met Osiander kan hierbij goede diensten bewijzen: vereniging met Christus loopt altijd via Zijn menselijke natuur. De gemeenschap met Christus dient pneumatologisch geduid te worden: de gelovigen zijn verenigd met Christus krachtens de band van de Geest.
  • De metafoor van de adoptie kan goede diensten bewijzen in het debat over participatie: het drukt intimiteit uit, maar handhaaft de ontologische grens tussen God en mens: de unio mystica gaat niet op in de unio hypostatica. Tevens combineert adoptie zowel het juridische als het transformatieve aspect van de unio.
  • Wezenlijk in de reformatorische visie op rechtvaardiging is de gedachte dat de mens door het geloof in Christus deelt in de ‘vreemde’ gerechtigheid van Christus, zonder dat daarbij de identiteit van de gelovige verandert of opgaat in die van Christus. Daarbij kan de imputatiegedachte goede diensten bewijzen. Binnen de matrix van de unio kan de imputatie beschouwd worden als het juridische aspect van de unio. De imputatiegedachte helpt tevens om de klassieke christologie te bewaken omdat zo binnen de eenheid van de unio het onderscheid tussen Christus en de gelovige gehandhaafd kan worden en de grenzen tussen het goddelijke en het menselijke niet vervloeien. De imputatiegedachte maakt inzichtelijk hoe de gelovige deelt in Christus’ gerechtigheid: niet door participatie in Zijn goddelijke natuur, maar bij wijze van attributie.
  • De kritiek dat de reformatorische soteriologie de samenhang tussen rechtvaardiging en vernieuwing niet goed inzichtelijk kan maken kan voorkomen worden wanneer beiden verworteld worden in de unio cum Christo. De oude klacht van ‘legal fiction’ gaat niet op wanneer rechtvaardiging en vernieuwing als duplex gratia beschouwd worden die de gelovige ten deel valt krachtens de unio.
  • Het verbond is een sleutel om historia salutis en ordo salutis bijeen te houden. Tevens kan het een middel zijn om de forensische en de effectieve, de juridische en de relationele, de individuele en de collectieve dimensies van de soteriologie bijeen te houden, zodat de valse dichotomie tussen forensische en participatorische categorieën niet langer op hoeft te gaan.

[1] WA 40, 233.

[2] WA 40, 229.