Kinderen kunnen soms lastige vragen stellen. Een moeder kreeg van haar zoontje als vraag na het Bijbellezen: ‘Waarom heeft God de mens eigenlijk geschapen terwijl Hij al wist dat we in zonde zouden vallen’?! 

Inderdaad heeft God de wereld geschapen, terwijl Hij wist dat de mens vallen zou. God heeft immers allesomvattende voorkennis van alle dingen/gebeurtenissen. In die zin kun je ook zeggen dat Hij de zondeval gewild heeft. Tegelijk maakt Hem dat niet de ‘auteur’ (de bewerker) van het kwaad. Het is immers de mens zelf die door te luisteren naar de verlangens van zijn eigen hart, tegen God koos.

Dat is belangrijk om te begrijpen. Het toestaan van de zondeval, maakt God niet de bewerker van het kwaad, net zomin als de schrijver van een boek waarin de hoofdpersoon een moord pleegt, verantwoordelijk is voor die moord. Hij staat het toe in zijn verhaal, maar dat maakt hem niet de schuldige!

Als je vraagt naar het waarom van de dingen – dus ook de zondeval – geeft de Schrift als antwoord: ‘de HEERE heeft alles gemaakt omwille van Zichzelf’ (Spr. 16: 4). Of zoals Paulus zegt: ‘…uit Hem en door Hem tot Hem zijn alle dngen’ (Rom. 11: 36). Op zich is dat een voldoende antwoord. God is goed en Hij weet de reden waarom Hij dingen toelaat, doet of niet doet, ook al begrijpen wij die reden niet. “En als Zijn redenen verborgen blijven, zijn ze dan soms onrechtvaardig?” (Augustinus). Wij moeten de beperktheid van ons verstand en verstaan aanvaarden: God is groot en wij begrijpen Hem niet (Job. 36: 26).

Tegelijk mogen wij ons inspannen om zoveel als mogelijk is Gods bedoelingen te verstaan. De Schrift geeft ons veel informatie. Een van de dingen die de Bijbel duidelijk laat zien, is dat Gods grote doel met alle dingen de verheerlijking van Zijn naam is. Het doel van de schepping en de heilsgeschiedenis is de eer van God.

Nu kun je je afvragen: maar hoe wordt God nu verheerlijkt door het toelaten van de zondeval?! Het antwoord is: de zondeval opent de deur naar de ontvouwing van het heilsplan van God. In dat heilsplan van God wordt duidelijk wie de Heere is: barmhartig, genadig, rechtvaardig, liefdevol etc. etc. Mensen zondigen en God laat zien dat Hij rechtvaardig is door de zonde te straffen. Mensen verkeren in ellende en God laat zien dat Hij barmhartig is door Zich over hen te ontfermen. Mensen verdienen straf en God laat zien dat Hij genadig is door hen de zonde te vergeven en in genade aan te nemen tot Zijn kinderen. Mensen dagen God uit en God is geduldig over hen door hen te dulden. En zo kunnen we door gaan. De zondeval opent de deur naar de ontvouwing van de heilsgeschiedenis, een geschiedenis waarin God op allerlei wijzen Zijn heerlijke deugden en eigenschappen vertoont. Zodat wij het zouden zien en Hem daarvoor groot zouden maken. Zo ontvangt Hij de eer.

Je zou zeggen: maar moet zo’n vreselijke gebeurtenis als de zondeval met alle vreselijke consequenties daar nu toe dienen? Het antwoord is: ja. Je zou het kunnen vergelijken met een schilderij van Rembrandt. De donkere kleuren die hij gebruikt laten het licht van de gebeurtenis waar het om gaat des te meer oplichten. Tegen de donkere achtergrond van menselijke schuld en opstand – waar wij, nogmaals, zelf verantwoordelijk voor zijn – licht Zijn liefde, barmhartigheid en genade des te helderder op. Het meest in het kruis van Christus, waar we zowel Gods oneindige rechtvaardigheid als Zijn onbevattelijke liefde zien. Zonder de zondeval geen kruis! Het is de zondeval die uiteindelijk leidt tot de komst van de Heere Jezus. Ook de zondeval draagt bij aan de verheerlijking van Zijn Naam! De Bijbel laat gelukkig niet alleen het probleem zien – onze zonde – en de oorzaak ervan – de zondeval – maar wijst ons bovenal naar de oplossing: Christus en die gekruisigd. Hij is Gods antwoord op de zondeval.

De heilsgeschiedenis – die in de Bijbel beschreven staat – dient er toe dat we oog krijgen voor Gods heerlijkheid en heerlijke eigenschappen, Hem daarvoor grootmaken en aanbidden. Ook de zondeval dient uiteindelijk dat grote doel. Of zoals Paulus het schreef: ‘…uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zijn de heerlijkheid in der eeuwigheid’ (Rom. 11: 36).