'In Uw licht zien wij het licht'

Psalm 36:10

Hij komt, Hij komt om d’ aard te richten – boekbespreking

door | 29 juni 2026 | Boekbesprekingen

Nergens lopen de meningen in de kerk zo uiteen als wanneer het gaat over eindtijd en Israël. Nu hoeft verschil van visie gelukkig niet scheidend te zijn als we willen buigen voor het gezag van Gods Woord, maar het kan toch makkelijk tot verwarring of zelfs onenigheid leiden. Want mogen we een duizendjarig rijk verwachten of niet? En wie zijn daar dan? Is de gemeente opgenomen of tot het eind van de wereldgeschiedenis op aarde? Het was een goed initiatief van Hart voor de Gemeente om daar in 2025 een studiedag over te organiseren waarop deze verschillende visies gehoord werden en er gesprek over gevoerd werd. Dr. P. de Vries was een van de sprekers op die dag. De uitgewerkte en uitgebreide versie gaf hij uit in het boekje ‘Hij komt, Hij komt om d’ aard’ te richten’. De Vries verdedigt in dit boekje de overtuiging dat het duizendjarig rijk niet iets is dat we voor de toekomst hoeven te verwachten, maar reeds nu werkelijkheid is. Dat is min of meer de klassieke opvatting die sinds Augustinus de hoofdlijn is van de christelijke toekomstverwachting. Met name sinds de opkomst van het dispensationalisme in 19e eeuw is er naast deze opvatting de overtuiging ontstaan dat God een aparte weg gaat met Israël en de gemeente. Waar de gemeente mag uitzien naar haar opname, breekt voor Israël straks het duizendjarig rijk aan waarin Israël door veel lijden gelouterd zal worden en tot geloof in de Messias zal komen. De Vries wijst deze opvatting af. Daar geeft hij goede argumenten voor. Het duizendjarig rijk – waar Openbaring 20 over spreekt – heeft volgens hem vooral betrekking op de zalige toestand van degenen die om Christus’ wil gedood zijn. Hij leest Openbaring 20 in nauwe relatie met Openbaring 6 waar het gaat over de rust van degenen die om Christus’ wil gedood zijn. We hoeven niet uit te zien naar een aards rijk waarin Christus regeren zal, Psalm 110 en Daniël laten heel duidelijk zien dat de troon van de verhoogde Christus niet op aarde is, maar in de hemel. We moeten voorzichtig zijn de symbooltaal van de Schrift al te concreet in te willen vullen. Het dispensationalisme beroept zich sterk op het visioen van de zeventig weken van Daniël 7, maakt een grote knip tussen de eerste helft van de laatste (jaar)week en de laatste helft en projecteert die laatste jaarweek op de toekomst. Het is de vraag of dat juist is. Met De Vries ben ik het eens dat de telkens terugkerende symboliek van 3,5 jaar (of 42 maanden) slaat op de tijd waarin we nu leven tussen Hemelvaart en wederkomst. Heel terecht wijst De Vries op de vreemde gedachten waarin je terecht komt als je gelooft in een letterlijk duizendjarig rijk. Wat moeten we met een wereld waarin Christus regeert, maar ook de dood nog aanwezig is? Waar opgestane gezaligden in een verheerlijkt lichaam samenleven met gelovigen die nog niet gestorven zijn. Waar het ene kind van God dus nog sterven moet en de ander niet meer. Waar Christus niet meer aan de rechterhand van de Vader bidt (omdat Hij daar niet meer is). Kortom, wie Openbaring 20 té letterlijk neemt, komt in allerlei onmogelijke situaties terecht. Wie alle gegevens van het Nieuwe Testament naast elkaar zet, kan niet anders dan concluderen dat er tussen de wederkomst en het laatste oordeel geen lange periode zit, maar alles dicht op elkaar betrokken is. Wij hoeven geen duizendjarig rijk te verwachten, wij dienen de Zaligmaker te verwachten die kómt. Betekent dit dat er verder helemaal niet meer gebeuren zal? Dat is niet juist. Als we Openbaring goed lezen, zien we dat met name de periode voor Christus’ wederkomst een tijd van zware beproeving zal zijn voor Gods kerk op aarde. In de vuuroven van het lijden (waar mogelijk ook Israël in betrokken is) zal Christus opstaan om de antichrist en zijn metgezellen te verdoen. Mogelijk kunnen we in deze eindcrisis ook de bekering van Israël situeren. We hoeven geen nauwkeurig tijdpad uit te stippelen, maar kunnen wel contouren zien. De Vries is van mening dat Gods weg met Israël niet klaar is en dat er hoop is op een toekomstige bekering van het joodse volk. Hoewel hij van mening is dat het herstel van Israël reeds begonnen is met de uitstorting van de Heilige Geest, mogen we ook op grond van Rom. 9-11 en andere teksten verwachting hebben dat dit herstel nog niet voltooid en God ook in de toekomst de ‘beminden om der vaderen wil’ in genade gedenken zal. Tenslotte: veel belangrijker dat exact te weten wat ons te wachten staat, is dat wij Christus’ komst zonder verschrikken kunnen verwachten. Alleen wie komende Rechter hier door genade heeft leren kennen als zijn Redder, kan hoop en verwachting hebben om ‘waardig geacht te worden’ die eeuw en de opstanding der doden te verwerven (Luk. 20: 35). We kunnen geen hoop voor de toekomst hebben als onze hoop niet op God is. We kunnen geen zekerheid hebben op een goede ingang in Gods Koninkrijk als onze wandel niet gekenmerkt wordt door godsvrucht en heiligheid. We kunnen God niet ontmoeten als de zonde niet onze grootste last en het verlangen naar gelijkvormigheid aan Christus niet onze grootste drijfveer is.  Laten we in alles rekening houden met de wederkomst van Christus en laat onze levenswandel zo zijn dat we Hem zonder verschrikken kunnen ontmoeten. Laat het zo zijn als Ryle eens schreef: ‘…de belofte van Christus’ wederkomst (…) is voor mij een krachtige bron en een stimulans voor een heilig leven, een motivatie voor geduld, bescheidenheid, een maatstaf voor alles wat ik doe.’

N.a.v. ds. P. de Vries, Hij komt, Hij komt om d’ aard’ te richten. Toekomstverwachting en de visie op het duizendjarig rijk, Tholen: Lucas boeken 2026, 76 pag. € 12,95, gepubliceerd in de Veluwse Kerkbode, juni 2026

Trefwoorden voor dit artikel: eindtijd , wederkomst