‘Waarom zou niet iedereen gered worden? Ik ontmoet in mijn omgeving veel kerkelijke jongeren die met die vraag leven en graag aannemen dat ‘het met iedereen goed komt’ – God is toch liefde? Waarom zou alverzoening een probleem zijn?’.

De gedachte van de alverzoening (ook wel: universalisme) is van alle tijden. Al in de vroege kerk hing de bekende Schriftuitlegger Origenes de gedachte aan dat alle redelijke schepselen, engelen en mensen, na een proces van loutering uiteindelijk weer tot God zouden terugkeren. Ook vandaag heeft deze gedachte zijn aanhangers. Op de website www.goedbericht.nl –waar allerlei argumenten aangedragen worden die de alverzoening steunen – lees je: ‘Geen vijand zal bestand blijken tegen de overmacht van GODS LIEFDE!’.

Twee opvattingen

Globaal genomen zijn er twee opvattingen: het absolute en het conditionele universalisme. Het eerste betekent dat iedereen uiteindelijk behouden zal worden; de tweede opvatting verbindt hieraan de voorwaarde van geloof en bekering (vandaar: conditioneel). Na de dood is er nog een ‘tweede kans’; wie gelooft en zich alsnog bekeert zal behouden worden.

De gedachte van de alverzoening is een aantrekkelijk idee. Wie moet niet huiveren bij de gedachte dat (vele) mensen verloren zouden gaan? Strekt het niet veel meer tot eer van God als iedereen Hem leert kennen en behouden wordt? Bekende 20e eeuwse theologen als Barth en Berkhof hebben dan ook de hoop uitgesproken dat dit inderdaad zo zal zijn. ‘Men kan er niet op rekenen, maar mag er wel op hopen’ (Barth). ‘In Gods naam hopen wij, dat de hel een louteringsweg zal zijn’ (Berkhof).

Argumenten

Wat zijn de argumenten die aangedragen worden voor de gedachte van de alverzoening? Vaak wordt gewezen op Bijbelteksten die een universele strekking lijken te hebben. Een tekst die in dit verband vaak aangehaald wordt is Romeinen 5: 18: ‘Zoals dus door één de overtreding de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis, zo komt ook door één rechtvaardigheid de genade over alle mensen tot rechtvaardiging van het leven’. Deze tekst wijst op een parellelie tussen Adam en Christus. Zoals door Adam alle mensen schuldig zijn geworden, zo komt door Christus de genade ‘over alle mensen’. De vraag draait natuurlijk om de betekenis van ‘alle’ in het tweede gedeelte van de tekst: bedoelt Paulus daar alle mensen stuk voor stuk mee, of bedoelt hij hiermee degene die ‘in Christus’ zijn? Ik denk het laatste. Teksten moet in hun verband gelezen worden en het is onmiskenbaar dat in de Romeinenbrief de rechtvaardiging waar 5: 18 over spreekt verbonden wordt aan het geloof (zie 5: 1). En spreekt Paulus in hoofdstuk 2 niet overduidelijk over de toorn en het oordeel van God (Rom. 2: 5)? Ook de bekende woorden dat God ‘alles in allen’ zal zijn (1 Kor. 15: 28) kunnen in het licht van 1: 28 – waar Paulus spreekt over ‘verloren gaan’ en ‘behouden worden’ niet zomaar uitgelegd worden alsof iedereen behouden zal worden.

Bezwaren

Naast te snelle conclusies die uit teksten worden getrokken zijn er nog drie andere bezwaren die niet ongenoemd mogen blijven:

De vraagsteller krijgt een eenzijdig Godsbeeld. Ja, God is liefde, maar dat mogen we niet losmaken van het geheel van Zijn karakter. Hij is ook heilig en rechtvaardig en Hij haat de zonde en de zondaren (!) (cf. Ps. 5: 5-6).

Een ander bezwaar is meer theologisch van aard. Het probleem van het universalisme is dat de leer van de verzoening min of meer losgemaakt wordt van andere elementen uit de geloofsleer, zoals de leer van de verkiezing en het verbond. De leer van de alverzoening denkt (terecht!) ruim over het verzoeningswerk van Christus. Daar kunnen we het van harte mee eens zijn. Het offer van Christus is krachtig genoeg om alle mensen te behouden. Daarom mogen we ook elk mens oproepen tot geloof en bekering. Niemand hoeft bang te zijn dat het bloed van Christus niet krachtig genoeg is om hem of haar te reinigen. Maar wie recht wil doen aan de hele Schrift kan er niet onderuit dat de toepassing van de verzoening nauw verbonden is aan verkiezing en verbond. Anders gezegd: Is het Gods intentie om alle mensen te redden? Nee. Degenen die gered worden zijn zij die de Vader aan Zijn Zoon gegeven heeft (Joh. 6: 37, 39).

Geloof

Het derde bezwaar heeft te maken met de ernst van de geloofsbeslissing. Zoveel teksten maken duidelijk dat redding onlosmakelijk verbonden is aan het geloof. Wie gelóóft heeft eeuwig leven (Joh. 5: 24). Wie verkoren zijn en tot het genadeverbond behoren, weet uiteindelijk God alleen. Daar hoeven we ons dus ook niet druk over te maken. Toen de discipelen Jezus eens vroegen of er weinig mensen behouden worden, gaf Hij het veelzeggende antwoord: Strijd u om in te gaan! (Luk. 13: 24). Wie dat doet, is behouden.

‘Komt het met iedereen goed?’, artikel in De Waarheidsvriend, 20-02-2015, 19.