Beste Stephan Sanders,

Als het gaat om het thema seksualiteit bestaat er in onze samenleving veel vrees. Dat heeft iets van een paradox. Enerzijds staan we graag bekend als een open, tolerante samenleving waarin seksualiteit geen taboe dient te zijn, anderzijds blijkt er vrees te zijn, met name voor standpunten die afwijken van de mainstream.

Dat werd heel duidelijk zichtbaar toen begin dit jaar de Nashvilleverklaring gepubliceerd werd. Het land was te klein voor alle verontwaardiging. Kamervragen, vlagvertoon en allerlei demonstraties gaven uiting aan de afkeer van de verklaring en degenen die de verwoorde standpunten adhesie betuigden. Maar waarom eigenlijk? Toegegeven, bepaalde verwoordingen hadden misschien nauwkeuriger gekund, de pastorale toonzetting invoelender, maar de verklaring verwoordde niet veel anders dan wat vijftig jaar geleden gemeengoed was binnen de kerk en een groot deel van de samenleving: dat het huwelijk een inzetting van God is voor man en vrouw, de bedding waarbinnen seksualiteit haar plaats vindt en dat homoseksualiteit niet overeenkomt met de bedoelingen van de Schepper, maar een verstoring is als gevolg van de zonde waar heel de schepping onder lijdt.

De reacties zeggen meer over de veranderingen die zich in de samenleving voltrokken hebben dan over de visie van wat orthodoxe christenen, zowel katholiek als protestant, altijd geloofd hebben. Als vervolgens Kamerleden vragen stellen over de interpretatie van de Bijbel, als predikanten niet vrijuit hun visie kunnen geven, dan getuigt dat van vrees.

Voor een deel is dat vrees voor het onbekende: velen weten simpelweg niet eens meer wat orthodoxe gelovigen voorstaan. Die vrees is echter ongegrond. Orthodoxe christenen zijn geen homohaters en roepen niet op tot geweld. Wel verlangen ze naar een nieuw en open gesprek over homoseksualiteit binnen kerken die vanuit verlegenheid met deze thematiek vaak het zwijgen er maar toedoen of klakkeloos de van hogerhand opgelegde LHBT-indoctrinatie volgen. Vanuit het Evangelie is deze vrees echter ongegrond. Het ‘Wees niet bevreesd’ waarmee het Evangelie begint, geldt ook voor het gesprek over deze thematiek. Immers, de liefde die de geboren Heiland belichaamt en die Hij meedeelt drijft de vrees juist uit (1 Joh. 4: 18). Deze liefde geeft de moed om onbevangen de Schriften te bevragen rond deze thematiek. Deze liefde geeft ook de kracht om het gesprek daarover aan te gaan, ook en juist met andersdenkenden. Deze liefde geeft tenslotte ook het verlangen om met nederigheid en vreugde de wil van God te gehoorzamen, je daaraan te conformeren en waar nodig je te bekeren, zelfs wanneer dat ingaat tegen je diepste gevoelens en verlangens.  

Want de diepste identiteit van een christen is niet zijn seksualiteit, maar zijn verbondenheid aan Christus. Ja, homoseksualiteit is een gegeven en voor hen die het betreft vaak een intense worsteling, maar het vormt niet –zoals de samenleving ons wil doen geloven – de diepste kern van wie je bent, net zomin als dat geldt voor alle andere gemankeerde verlangens en gevoelens waar we in een gebroken wereld mee te worstelen hebben. De diepste identiteit van een mens ligt in een herstelde relatie met God door Jezus Christus. Dan ‘[leef] ik niet meer, maar Christus in mij’ (Gal. 2: 20).

En in Christus is kracht om om te gaan met elke verkeerde identiteit die we ons aanmeten of aan laten meten, zo leerde ik van twee recente publicaties die ik las. Rosaria Butterfield, een voormalig homo-activist, schrijft over seksuele identiteit en leven in verbondenheid met Christus, Christopher Yuan een theologische analyse van ‘heilige seksualiteit’. Waar de een na haar bekering haar weg vervolgde als moeder van een aantal pleegkinderen en de ander zijn weg als christenhomo vervolgt, getuigen beiden van de vergevende en helende kracht van Christus’ liefde die hen riep tot navolging. Die navolging betekent niet altijd verlossing van homoseksuele gevoelens, wel het vinden van een nieuwe identiteit die transformerend werkt en bevrijdt van de vrees.     

Beste wensen en zegen,

Maarten Klaassen

‘Vrees niet!’, brief in De nieuwe Koers, december 2019