John Owen geldt inmiddels als een van de belangrijkste gereformeerde theologen die Engeland heeft voortgebracht. De laatste jaren is er sprake geweest van een gestage stroom aan studies over aspecten van zijn theologie. In Nederland besteedde ondermeer P. de Vries, H. Burger, R.W. de Koeijer en ondergetekende in hun dissertaties aandacht aan de ‘prins der puriteinen’. De Ashgate Research companion to John Owen’s Theology is misschien wel de bekroning van deze Owen-revival. Deze bundel –waar gerenommeerde Owenkenners als Rehnman, Kapic en Spence een bijdrage aan leverden – biedt een mooi en up-to-date overzicht van het huidige onderzoek naar Owens persoon, theologie en context. Het boek, vrucht van een congres over Owen in 2008, bevat zeventien opstellen onder de noemers ‘methode’, ‘theologie’ en ‘praktijk’ en wordt gecompleteerd door een uitgebreide bibliografie.
Tegen de achtergrond van de grillige geschiedenis van het 17e eeuwse Engeland wordt gepoogd licht te werpen op Owen. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig te zijn. Al was Owen een van de hoofdrolspelers in het Engeland van zijn dagen, de mens Owen gaat veelal schuil achter de prediker en geleerde, zo blijkt uit het opstel van Tim Cooper. Als rector van de Universiteit in Oxford opereerde hij met grote zelfstandigheid waarbij hij politieke middelen niet schuwde. Het beeld dat anderen van hem geven is niet altijd vlijend: hij leerde van weinigen en leunde op niemand (Moffat). Interessant is Owens visie op tolerantie, een aangelegen punt voor een independent. Owens aanvankelijke moeite met de traditionele Augustijnse visie van een overheid die op godsdienstig gebied dwang mag gebruiken verandert naar een meer strikte visie, waarbij de overheid een rol heeft in het terugdringen van ketterij en godslastering, maar tegelijk ruimte moet laten aan voor onderscheiden protestantse stromingen.
Al weten we van de persoon Owen weinig, van zijn theologie des te meer. Trueman noemt een aantal karakteristieken van zijn theologie: deze valt in de eerste plaats op vanwege de pneumatologische benadering en de trinitarische breedte. Daarnaast weet Owen zijn theologie een pastorale en bevindelijke spits te geven. De pastor en de theoloog gaan hand in hand. Verder is Owen interessant omdat hij als exegeet een mooi onderzoeksveld biedt voor de groeiende belangstelling voor de exegese binnen de reformatorische traditie. Ook zijn omgang met en verwerking van de brede christelijke traditie verdient aandacht. Dat Owen geen traditionalist was, blijkt uit zijn betrokkenheid en verwerking van tijdgenoot Cocceius, die een belangrijke rol speelde in de herijking van de verbondsleer – een thema waar wijlen Willem van Asselt met de hem zo kenmerkende gepassioneerdheid een opstel over schreef.
Een curieus en bij tijden laconiek hoofdstuk is dat van Crawford Gribben die onderzoek deed naar de veilingcatalogus van Owens bibliotheek, zoals deze na zijn dood geveild werd. Deze catalogus is door onderzoekers vaak aangevoerd als bewijs van Owens brede betrokkenheid op de contemporaine cultuur – een conclusie die door Gribben in twijfel wordt getrokken, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat de veilinghouder zelf voor de nodige aanvulling heeft gezorgd in de hoop dat de door hem toegevoegde boeken met het aura van Owen eromheen mogelijk beter verkoopbaar zouden zijn. Waaruit weer eens blijkt hoe voorzichtig je moet zijn om al te voorbarige conclusies te trekken.
Deze bundel is een Fundgrube voor iedereen die zich bezig houdt met Owen. Jammer dat er twee hoofdstukken zijn over Owens omgang met tolerantie. Die overlap had voorkomen kunnen worden. Ook de prijs is niet erg aantrekkelijk, maar je krijgt wel waar voor je geld. Het is een bundel die niet alleen veel historisch en theologisch interessant materiaal biedt, maar bij ogenblikken ook een stichtelijk karakter draagt. In de hoofdstukken over het gebed, de Geest en de voorbidding van Christus zie je de rijkdom van een theologie die nooit de focus van het leven voor Gods aangezicht verliest. Dat geldt niet in het minst voor het onderwerp waar van Suzanne McDonald een prachtig hoofdstuk aan wijdde: het zien van Gods heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus. Hoezeer de mens Owen zich ook aan onze waarneming onttrekt, hier kijk je hem toch in het hart. Op de dag van zijn heengaan, 24 augustus 1683 werd hem verteld dat zijn boek met meditaties over de heerlijkheid van Christus, ter perse was gegaan. Owen zei toen: ‘Ik ben blij het te horen, maar de lang verwachte dag is eindelijk gekomen, waarin ik die heerlijkheid op een andere wijze zal zien dan ik ooit gedaan heb of in staat was te doen in deze wereld’.

Kelly M. Kapic & Mark Jones (ed.), The Ashgate Research Companion to John Owen’s Theology, (Ashgate Publishing 2012), xviii + 334 p., £ 76,50 (ISBN 9781409434887). In: Theologia Reformata, september 2014, 307-308.