‘De rechtvaardiging. Proefschrift ds. Klaassen zet eenheid met Christus centraal’, recensie prof. dr. A. de Reuver, in: De Waarheidsvriend, 29-08-2013, 7-9

Proefschrift ds. Klaassen zet eenheid met Christus centraal

Hoe jong hij ook is, de studie van ds. M. Klaassen getuigt van volwassenheid. In Christus rechtvaardig is een rijk en verrijkend proefschrift. Het voorzetsel in in de titel heeft een maximale lading. Het betekent niets minder dan dat er buiten Christus geen sprake van rechtvaardiging kan zijn.

Los verkrijgbaar is ze niet. Ze valt ons alleen ten deel in de geloofsverbondenheid met Christus. De ondertitel van het proefschrift over de rechtvaardiging door het geloof bevat dan ook de tweeslag rechtvaardiging en eenheid: Een onderzoek naar rechtvaardiging en eenheid met Christus. Hoewel de rechtvaardiging hier voorop staat, laat de teneur van deze studie zien dat de eenheid met Christus de voorrang heeft.

SAMENHANG

Ds. Klaassen beschrijft de samenhang van beide aan de hand van een viertal theologen uit het verleden, Luther, Melanchthon, Calvijn en Owen. Deze theologiehistorische aanpak laat hij echter gepaard gaan met een actuele bijbels- theologische analyse van Paulus’ rechtvaardigingsleer, en bovendien met een reeks dogmatische overwegingen die te denken geven. Daarbij mengt hij zich vrijmoedig in het huidige debat. Dit alles getuigt van een omvattende werkwijze die respect afdwingt. In deze bespreking kan ik slechts een greep doen en moet ik aan allerlei, overigens niet onbelangrijke details voorbijgaan.

LUTHER

De eerste bij wie de auteur het oor te luisteren legt, is Luther. Uiteraard probeert hij de reformator te verstaan tegen de achtergrond van de laat-middeleeuwse opvattingen, de context waarin Luthers theologie zich heeft ontwikkeld.
Daarin beschouwde men de rechtvaardiging gewoonlijk als een proces waarin de gelovige gaandeweg vernieuwd wordt, totdat aan het levenseinde blijkt of hij al dan niet beantwoordt aan de norm van Gods gerechtigheid.

BIJVAL

Van hogerhand kwam Luther tot het inzicht dat deze gerechtigheid niet de maatstaf is waarnaar de christen ten slotte wordt gemeten, maar veeleer de gave die hem door het geloof in Christus reeds hier en nu geschonken wordt.
Nu is er aan deze ‘reformatorische ontdekking’ inderdaad een hele ontwikkeling voorafgegaan.
Terwijl Luther in de beginjaren aan de verootmoediging een voorwaardelijke rol toekende die naar verdienstelijkheid tendeerde, heeft hij na zijn zogeheten Turmerlebnis elke gedachte aan een menselijke inbreng uitgezuiverd.
Zondekennis en deemoed blijven het geloofsleven weliswaar als keerzijde van de rechtvaardiging onontbeerlijk vergezellen, maar niet als bijdrage die ons voor God acceptabel maakt. Veel meer functioneren ze als bijval waarmee we billijken dat Hij ons als goddelozen en niet als smettelozen rechtvaardigt.

RUIL

De gerechtigheid van het geloof is immers een ‘vreemde’ gerechtigheid. Ze is ons vreemd omdat ze niet berust op eigen succes, maar op Gods genade alleen. Het is Christus’ gerechtigheid die de onze wordt. Hoe kan dat? Dat kan omdat Híjzelf de onze wordt. Wie door het geloof in Gods beloften met Hem verenigd is, die deelt in al Zijn schatten. Het geloof – zo stelt Luther in zijn befaamde Vrijheidstractaat – verbindt de ziel met Christus zoals bruid en bruidegom verenigd worden. Dit noemt Luther de ‘wonderlijke ruil’: Christus neemt onze schuld en armoe voor Zijn rekening en schrijft Zijn gerechtigheid en rijkdom op de onze. ‘Als ik gezondigd heb, dan heeft toch mijn Christus níet gezondigd. In Hem geloof ik. Al wat Hij bezit is het mijne en het mijne is het Zijne.’
Vanuit deze vereniging met Christus valt ons een tweevoudig maar ondeelbaar geschenk ten deel: de rechtvaardiging als vrijspraak die ons wordt toegerekend, en de rechtvaardiging als vernieuwing die door de Geest in ons wordt gewerkt. Hoe onafscheidelijk die twee ook zijn, de toerekening geeft de doorslag.
De vraag is echter wát er nu precies wordt toegerekend. Hoewel Luther, in navolging van Paulus, naar de letter formuleert dat dit het geloof is, dus niet: Christus’ gerechtigheid, ligt deze laatste gedachte wel onmiddellijk in het verlengde van zijn ruilmotief. Christus, die door het geloof de onze wordt, is immers Degene die al het Zijne tot het mijne maakt. Al wat Hij heeft, valt ons ten deel. Zo is Christus zelf onze gerechtigheid. Vermeldenswaard lijkt me overigens dat Luther behalve van een heiliging die door de Geest in ons wordt uitgewerkt, ook weet heeft van een heiligheid die ons wordt toegerekend. Dit noemt hij zelfs onze Hauptheiligung. Ze bestaat uit Christus’ hogepriesterlijk werk waarin Hij zich tot op het kruis voor ons geheiligd heeft. In het geloof is Christus niet alleen onze gerechtigheid, maar ook onze heiligheid.

MELANCHTHON

Zonder Luther tegen diens vriend en collega Philippus Melanchthon uit te spelen, attendeert de auteur op enkele niet te verwaarlozen verschillen. Eensgezind zijn beiden inzake de toerekening van Christus’ gerechtigheid.
De (latere) Melanchthon beklemtoont echter scherper het onderscheid tussen wat Luther had aangeduid als de aan ons toegerekende en de in ons uitgewerkte gerechtigheid. Als eerste bezigt Philippus daarvoor de termen rechtvaardiging en heiliging. Het opmerkelijkste verschil is intussen gelegen in het feit dat Luthers beslissende motief van de vereniging met Christus bij Melanchthon weliswaar niet ontbreekt, maar toch uit het midden naar de rand verschoven is.

CALVIJN

De Geneefse reformator wordt wel Luthers beste leerling genoemd. De eenstemmigheid is dan ook onmiskenbaar, en groter dan de auteur soms waar wil hebben (p.211, 363). Ook volgens Calvijn is het de verbondenheid met Christus waaruit ons de ene maar tweevoudige weldaad van rechtvaardiging en heiliging (Melanchthons onderscheiding) toevloeit. Dit is geheel in de geest van Luther. Ook deze kent immers evenmin een andere bron van zowel vergeving als vernieuwing dan de Christusgemeenschap.
Wanneer de auteur deze eenheid met Christus de ‘naaf ’ noemt die allerlei spaken van Calvijns theologie vasthoudt, vertolkt hij een overtuiging die ik al jarenlang hartgrondig deel. Calvijns theologische (en spirituele) hart klopt in de unio cum Christo, de geloofsgemeenschap met Christus, waarin de toewending van de Drie-enige tot zondaren zich voltrekt. Bij uitstek in de avondmaalsleer komt dit even onthullend als ontroerend aan het licht. Het valt te betreuren dat dit cruciale aspect van de Christusgemeenschap in deze dissertatie marginaal blijft.

VERMENGING

Zoveel te meer aandacht besteedt Klaassen aan Calvijns geding met Osiander. Deze laatste was van mening dat de gelovigen door de vereniging met Christus deel hebben aan Diens goddelijke natuur.
Deze goddelijke natuur nu zou hun gerechtigheid uitmaken, niet omdat die wordt toegerekend, maar omdat die wezenlijk in de gelovige woonachtig en werkzaam is in een proces van rechtvaardigmaking.
Calvijn zag hierin (onder meer) een ongeoorloofde vermenging van rechtvaardiging en heiliging.
Rechtvaardiging blijft voor hem een zaak van toerekening van de gerechtigheid die Christus in Zijn lijden, sterven en verrijzen heeft verworven. Dit neemt niet weg dat deze gerechtigheid door de eenheid met Christus ons zozeer eigen wordt dat ze niet alleen buiten ons, maar ook in ons is. Want hier geldt: wij in Hem, en Hij in ons.

HEILIGING

Wat de heiliging betreft moet eerst van al gezegd worden dat ze volgens Calvijn evenzeer genadegeschenk is als de rechtvaardiging. Beide vallen ons te beurt vanuit de ene Christus, die niet in tweeën te scheuren is. De heiliging betreft evenwel een geschenk dat niet alleen wordt toegerekend, maar door de Geest ook wordt uitgewerkt, en wel in die dubbele beweging die de gelijkvormigheid aan Christus eigen is: sterven en opstaan.
Een typisch Calvijnse gedachte is die van de dubbele rechtvaardiging. De ene geschiedt zonder dat de werken in aanmerking komen, de andere met inachtneming van de vruchten die het geloof voortbrengt. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om daden die voortvloeien uit de gemeenschap met Christus.
Op deze manier wilde Calvijn de Schrift rechtdoen en het roomse verwijt ontzenuwen dat de reformatorische rechtvaardigingsleer zorgeloosheid zou kweken. Zowel Luther als Calvijn deelden het adagium dat we door geloof alleen gerechtvaardigd worden, maar dat dit geloof toch nooit alleen is. Het heeft de liefde bij zich.

OWEN

Owen vertegenwoordigt in deze studie de zeventiende-eeuwse gereformeerde orthodoxie, met name de puriteinse tak daarvan.
De vraag is vaak geopperd of deze beweging de lijn van de Reformatie trouw bleef ofwel dit spoor verliet en zelfs verried. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de continuïteit overheerst, ook bij Owen. Goed reformatorisch is de rechtvaardiging ook voor hem een zaak van toerekening.
Een eigen profiel krijgt Owens rechtvaardigingsleer echter door zijn verbondsleer. In het genadeverbond, dat gefundeerd ligt in het van eeuwigheid gemaakte vredesverbond tussen de Vader en de Zoon, verwerft Christus zowel door zijn passieve lijden als zijn actieve gehoorzaamheid de gerechtigheid voor de zijnen. Op deze in de eeuwigheid gelegde en in de tijd bevestigde basis berust de rechtvaardiging. Daadwerkelijk de onze wordt ze in de geloofsvereniging met Christus.
Wat me opvalt is een accentverschuiving ten opzichte van de Reformatie, overigens in Owens theologische context begrijpelijk.
Hoezeer de reformatoren er ook van overtuigd waren dat Gods genade ons een eeuwigheid voor is, de bron en basis van de rechtvaardiging zagen ze gelegen in de eenheid met Christus, een eenheid die Hij in het hart der tijden schiep en in het hart der zijnen heden wegschenkt.

KANTTEKENINGEN

Dit boek verdient veel lof en weinig blaam. Mijn kanttekeningen zijn dan ook gering. De eerste is dat volgens mij het diepgravende werk van de Lutherkenner Iwand bij de benutte literatuur niet had mogen ontbreken.
De tweede, die misschien met de eerste samenhangt, is dat in de beschrijving van Luthers rechtvaardigingsleer een essentieel aspect onderbelicht blijft. Ik bedoel het motief van de ‘passieve’ rechtvaardiging van God, waarbij de zondaar eigen ongelijk belijdt en Gods gelijk bijvalt. Het is een gedachte die niet alleen bij de jonge Luther is te vinden, maar ook bij de latere, bijvoorbeeld in zijn tweede Psalmencommentaar.

AANVECHTING

In de derde plaats is het jammer dat minimale aandacht wordt besteed aan de aanvechting die het rechtvaardigend geloof omspoelt. Voor Luther staat het vast dat het leven uit de rechtvaardiging zich bij uitstek in de aanvechting voltrekt. Rechtvaardigingsgeloof draagt een nochtanskarakter. Het geldt trouwens voor Calvijn niet minder. Ze hebben het van geen vreemde. Allen die in Christus rechtvaardig zijn, zijn in de Kreupelstraat geboren en getogen. En ze blijven er, totdat hun voeten in de gouden straten van de Godsstad staan. Voorlopig gaan ze hinkend door het leven. Tot hun verootmoediging.
Of dit povere zondaarsleven echter pleit voor het advies dat de jonge doctor in zijn laatste stelling geeft, betwijfel ik. Gepromoveerden zouden niet de titel ‘Dr.’ maar ‘S.S.’ (sinner saved, geredde zondaar) moeten dragen. Niet doen! Want deemoed die als titel in de etalage staat, verschiet subiet van kleur en verandert in haar tegendeel.

N.a.v. M. Klaassen, ‘In Christus rechtvaardig. Reformatorische perspectieven op rechtvaardiging en participatie in Christus’, uitg. De Banier, Apeldoorn; 500 blz.; € 35,90.