‘Een vreemde vrijspraak’, recensie prof. dr. W. van ’t Spijker, in: Reformatorisch Dagblad, 12-10-2013

„Het artikel waarmee de kerk staat of valt is de leer van de rechtvaardiging. Deze uitspraak is van de reformator Maarten Luther. Het bestaan van de kerk vindt zijn grond in de leer van de rechtvaardiging door het geloof.

Deze rechtvaardiging berust op een vreemde vrijspraak. Vreemd in de zin van: niet voor de hand liggend, het is niet het eerste waaraan men denkt. Maar het vreemde is vooral ook gelegen in het feit dat niemand in zijn eigen kwaliteit, werk of verdienste een reden kan ontdekken die hem of haar voor God rechtvaardigt, vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft op het eeuwige leven.

In zijn dissertatie ”In Christus rechtvaardig” onderzoekt dr. M. Klaassen, die op 25 juni in Amsterdam promoveerde, de relatie die er is tussen deze vreemde vrijspraak en de substantiële verbondenheid van de gelovige met Christus –in de gereformeerde theologie aangeduid als inlijving (”incorporatio”) of inenting (”insitio”)– die ten grondslag ligt aan de gemeenschap (”communio”) met Christus.

Het lijkt wel met elkaar in strijd: het zoeken van de zaligheid buiten onszelf, zoals het doopformulier zegt, en tegelijk met het avondmaalsformulier spreken over het „Hij in ons en wij in Hem.” Christus ”extra nos” (buiten ons) en tegelijk ”in nobis” (in ons).

Nieuwe kijk

Dr. Klaassens onderzoek richt zich vooral op Luther, Melanchthon, Calvijn en John Owen. In het eerste hoofdstuk biedt hij een overzicht van het moderne onderzoek, waaruit blijkt dat er van een verschuiving in weergave en beoordeling sprake is. Het huidige debat staat in het teken van een drievoudige kritische verschuiving: Bijbels-theologisch, kerkhistorisch en systematisch-theologisch. Modern nieuwtestamentisch onderzoek spreekt niet meer zo sterk over de toerekening (imputatie) van de gerechtigheid van Christus. In plaats daarvan komt de nadruk te liggen op participatie en genezing, door werkelijk delen in het heil.

Men kan niet zeggen dat dit een nieuwe kijk is op Luthers theologie. Meer dan een halve eeuw geleden legden Straatsburgse onderzoekers al een sterke nadruk op de ethische en empirische aspecten van de rechtvaardiging. Het moderne onderzoek van de Finse School van Lutherstudie wijst weer in deze richting. De vraag kan dan opkomen of men de realiteit van de gemeenschap met Christus zo sterk kan accentueren dat de kracht van de toerekening (imputatie) van Christus’ verdienste, de betekenis van de ”vreemde” gerechtigheid, aan waarde moet inboeten.

Dr. Klaassen kiest voor de vier genoemde theologen om tot een juiste beoordeling te komen. Deze keus is vrij. Toch zou een sterker accent op de theologie binnen de gereformeerde traditie voorkeur verdiend hebben. Juist daar functioneert de rechtvaardiging als een ”donum” (een geschenk) en tegelijk als een ”opus” (een werk) van God. Calvijn, Bucer, Martyr en vele andere theologen stonden sterk in hun evenwichtige hantering van de werkelijkheid van de toegerekende gerechtigheid, sámen met die van de effectieve participatie in de gemeenschap met Christus.

Owen

De keuze voor Owen (de Engelse Calvijn) doet ietwat vreemd aan. Owen was een uitmuntend theoloog. De redenen die dr. Klaassen voor zijn plaats in deze studie aanvoert zijn naar mijn inzicht niet overtuigend. Hoeveel tijd is er niet verstreken, hoeveel veranderingen hebben zich in theologisch opzicht niet voorgedaan sinds de Reformatie?

Tussen Owen en de Reformatie ligt te veel tijd en is er sprake geweest van een theologische ontwikkeling. In de puriteinse verbondstheologie wordt een ander theologisch schema gehanteerd. De scholastiek schept een ander klimaat. Het onderzoek krijgt opeens een heel andere kleur. Men moet Owen niet uit zijn eigen omgeving halen. Hij verdient een eigen boek.

Vrolijke ruil

Met veel respect mag men overigens kennisnemen van wat dr. Klaassen in deze studie biedt. Met grote nauwkeurigheid bespreekt hij Luthers opvatting; de toerekening vindt plaats binnen het geheim van de gemeenschap met Christus. Klaassen merkt op dat bij Luther de gerechtigheid van God en die van Christus samenvallen (blz. 117). Dit was op bladzijde 35 nog een vraag: „Is de gerechtigheid van Christus voor Luther hetzelfde als de gerechtigheid van God – een positie die gelijk zou staan aan die van de genoemde lutheraan Osiander?”

Osiander zag de gemeenschap met Christus op de manier van Zijn inwoning in de gelovigen, als een grond voor de rechtvaardiging, een visie die door Calvijn werd bestreden. De gemeenschap met Christus komt tot stand op de basis van de verzoening. „Door de ”unio cum Christo” deelt de gelovige niet alleen in de ”vreemde” gerechtigheid, maar wordt ook een nieuwe schepping…” De ”vrolijke ruil”, die Luther in zijn boekje over de vrijheid van een christenmens beschrijft, is als in een huwelijk waarbij de gemeenschap van goederen zo tot stand komt dat onze schuld door Christus wordt overgenomen en Zijn gerechtigheid ons deel wordt.

De toerekening voltrekt zich in de gemeenschap (”unio”) met Christus. Dezelfde gedachte komt inderdaad voluit naar voren in Luthers grote en kleine commentaar op Paulus’ brief aan de Galaten. Bij Melanchthon treft ons een andere intonatie dan bij Luther, die naar beider oordeel geen ingrijpend verschil opleverde.

Klaassen geeft een heldere omschrijving van het andere accent, dat geen afbreuk doet aan het gewicht van de toerekeningsgedachte, die juist bij Melanchthon sterker naar voren komt.

Institutie

In het hoofdstuk over de betekenis van Calvijn voor de samenhang tussen rechtvaardiging en Christusgemeenschap wordt de ontwikkeling getekend die de reformator uit Genève doormaakte. Vroege geschriften worden uitvoerig besproken voordat de definitieve uitgave van de ”Institutie” aan de orde komt. De verschillen met eerdere uitspraken van Calvijn verduidelijken zijn standpunt. Ook Osiander komt hier breed ter sprake: de toerekeninggedachte mag niet opgeofferd worden aan de werkelijkheid van de gemeenschap met Christus.

De verbinding van beide is bepalend geworden voor heel de verlossingsleer van Calvijn. Het kan ook niet anders. Het derde boek van de ”Institutie” begint immers met de tekening van de werkzaamheid van Christus. Hij kan niet werkeloos zijn. Hij wil in ons wonen en werkzaam zijn.

De manier waarop dr. Klaassen de bronnen zorgvuldig en met een brede blik weergeeft is overtuigend. Zijn werk verdient wat dit betreft ook de aandacht van wie zich wil verdiepen in de reformatorische visie op de leer van de rechtvaardiging. In plaats van de aandacht voor Owen had er echter een zinvolle plaats kunnen worden ingeruimd voor een weergave van de betekenis van de confrontatie met Rome, zoals deze zichtbaar werd rond 1540 in de godsdienstgesprekken. Daar waren immers juist die punten volop in het geding die in deze studie aan de orde gesteld worden.

Boekgegevens

In Christus rechtvaardig. Reformatorische perspectieven op rechtvaardiging en eenheid met Christus; M. Klaassen; uitg. Labarum Academic, Apeldoorn, 2013; ISBN 978 90 336 3445 1; 458 blz. € 34,90.