Wie gelooft in Christus, deelt in de gemeenschap met zijn Persoon. Maar hoe gebeurt dit en welke filosofische aspecten zitten daarachter? Geloof is een relatie die haaks staat op een ontologische vermenging van substanties. Een proefschrift van dr. Maarten Klaassen laat zien dat theologie nooit los is van filosofische vooronderstellingen.

Zijn proefschrift In Christus rechtvaardig. Reformatorische perspectieven op rechtvaardiging en participatie in Christus, waarop de protestantse predikant in Sliedrecht in juni aan de Vrije Universiteit promoveerde, gaat over het centrale leerstuk van de Reformatie, de rechtvaardiging van het geloof. De centrale vraag hierbij is of de zondaar rechtvaardig verklaard wordt (de ontdekking van de Reformatie tegenover de roomse visie van de ingestorte genade), gebaseerd op een vrijspraak van buiten af, of dat hier sprake is van een proces waarin de gelovige gradueel en substantieel intrinsiek rechtvaardig gemaakt wordt.
In de Middeleeuwen wordt de rechtvaardiging vooral procesmatig gezien. Door een verandering in hun menselijke natuur, en niet slechts in hun status, worden christenen rechtvaardig voor God. Door de sacramenten wordt de genade meegedeeld en de habitus van de liefde geschonken, die de basis is van de rechtvaardiging van de mens. In de late Middeleeuwen komt er kritiek op deze opvatting en is er sprake van een nieuwe zienswijze (men spreekt van een school: via moderna). God kan de zondaar zonder iets in hem aannemen, louter op basis van de gerechtigheid van Christus, buiten hem. De reformatorische doorbraak bij de hervormer Luther is daar waar hij de gerechtigheid van God niet meer als de maatstaf ziet waarmee de gerechtvaardigde christen aan het einde van zijn pelgrimage gemeten wordt, maar de gave die de christen door het geloof geschonken wordt.
Rechtvaardiging wordt in de bezinning van de christelijke theologie in het begin van de 21ste eeuw nauw verbonden met het theologisch begrip participatie, het deelhebben van de gelovige aan Christus. Dat is niet helemaal onomstreden. Volgens sommige gereformeerden zou die metafoor meer zou passen in de oosters-orthodoxe theologie, waar de gedachte van theosis, vergoddelijking, ingeburgerd is. In het zogenaamde “nieuwe perspectief” op Paulus, een theologische richting die wereldwijd ook filosofen inspireert (zoals in Nijmegen en Groningen), staat niet zozeer de rechtvaardiging als forensische verklaring op de voorgrond, maar veelmeer de unio cum Christo en de participatie van de gelovige in God.
Voortdurend cirkelt de discussie over de verhouding rechtvaardiging en vernieuwing. Luthers leerling Melanchton onderscheidt tussen gratia (de genadige houding die God aanneemt ten opzichte van de gelovige) en donum (de vernieuwende kracht van de Heilige Geest in de gelovigen). Door de gratia is men gerechtvaardigd in Gods oog (Zijn gunst en barmhartigheid), maar door het donum wordt de strijd aangebonden tegen de overblijvende realiteit van de zonde. Melanchton onderscheidt tussen een eerste en tweede gerechtigheid: de eerste is een extrinsieke gerechtigheid die door het geloof wordt ontvangen, de tweede is de actuele gehoorzaamheid van de gelovige. Ze verhouden zich tot elkaar als oorzaak en vrucht.
Bij Calvijn is de rechtvaardiging onlosmakelijk verbonden met de heiliging en het werk van de Heilige Geest. Hij spreekt van een tweevoudige genade (duplex gratia). Tegelijk wil hij het extra nos (het heil buiten ons) handhaven en keert hij zich tegen zijn tijdgenoot Osiander die rechtvaardigen opvat als rechtvaardig maken, waarin Calvijn de rooms-katholieke rechtvaardigingsgedachte terugziet. Bij Calvijn ligt de logische prioriteit in de rechtvaardiging. Rechtvaardiging is de opheffing van de schuldige status van de zondaar door de vergeving van de zonde in Christus. Heiliging of vernieuwing is de levenslange weg waarin de gelovige zowel deelt in de afsterving van de oude mens als in de opstanding van de nieuwe mens. Geloof is niet alleen een naakt geloof, maar door de liefde werkzaam. De gerechtigheid van Christus is zowel in nobis als extra nos.

Filosofische vragen

Het lijkt allemaal alleen voer voor theologen, maar hier zijn belangrijke filosofische, metafysische vragen in het geding, waar Klaassen terecht op wijst. Dat is met name op het punt van de unio cum Christo, de participatie aan de persoon van Christus. In het geding is de ontologische status van de unio. Gaat het om herstel van de geschapen natuur of om verheffing van de natuur tot God (dus vergoddelijking)? In de theologiegeschiedenis zijn er twee modellen van participatie: een (neo)platoonse benadering waarbij het gaat om de opstijging van de ziel tot de eenwording met God naast een meer heilshistorische benadering (in de lijn van Irenaeus) waarin de gelovige met Christus verbonden is aan zijn heilsweg van incarnatie, verhoging en wederkomst.

De eerste lijn is vandaag terug te vinden in de participatorische ontologie van de Radical Orthodoxy, een nieuwe beweging die uitgaat van een kosmische zijnsladder, een analogia entis, waarbij het natuurlijke participeert in het bovennatuurlijke. Het tweede spoor wordt door de reformatorische traditie gevolgd: participatie verloopt via Christus en de Geest. Het is de Geest die de gemeenschap werkt en de gelovige doet delen in de ‘vreemde’ gerechtigheid van Christus. Vermenging van goddelijke en menselijke substantie impliceert een opheffing van het onderscheid Schepper en schepsel.
Het gaat in de reformatorische traditie niet in de eerste plaats om het overbruggen van de ontologische kloof tussen Schepper en schepsel of het overwinnen van de antithese eindig-oneindig, maar het herstel van de verbroken gemeenschap met God. “De genade die de mens nodig heeft is geen substantie die hem boven zichzelf verheft en ‘vergoddelijkt’, maar gunst: de genadige vrijspraak in Christus, waardoor mensen er voor Gods aangezicht mogen zijn”, aldus Klaassen. Juist om gemeenschap tussen God en mens mogelijk te maken, mogen God en mens niet in elkaar opgaan. God blijft God, de mens mens. Het gaat om een gemeenschap van personen-in-relaties, niet om een monolitische eenheid die de ontologische grenzen tussen God en mens uitwist.
Klaassen kiest voor de metafoor adoptie, volgens de Anglicaanse theoloog James Packer het hoogste privilege dat het Evangelie biedt. De mens kan/mag deel uitmaken van het gezin van God. Adoptie biedt een metafoor aan die intimiteit uitdrukt, maar ook het ontologische onderscheid tussen God en mens handhaaft. De reformatorische rechtvaardigingsleer stelt dat de mens door het geloof de ‘vreemde’ gerechtigheid in Christus ten deelt valt, zonder dat daarbij de identiteit van de gelovige verandert of opgaat in die van Christus. Vandaar dat gewerkt wordt met imputatie (toerekening): de gelovige deelt in Christus’ gerechtigheid: niet door participatie in Zijn goddelijke natuur, maar door attributie. De Christusgemeenschap is een geestelijke werkelijkheid, niet essentieel, maar een zaak van het geloof.
Hier duikt de discussie over het patristische begrip theosis op. Calvijn leert geen deïficatie (vergoddelijking). Hij ontkent dat gelovigen verenigd zullen worden met de goddelijke essentie, maar bevestigt dat ze deel hebben aan de goddelijke natuur en veranderd zullen worden in gelijkheid aan Jezus. De eschatologische participatie in God is niet zozeer een ontologisch deelhebben aan Gods natuur als wel de volmaking van het beeld van God, herstel en voltooiing van ons ware mens-zijn in rechtvaardigheid en heiligheid. Bij Calvijn is participatie gemeenschap (koinonia), gekenmerkt door intimiteit en differentiatie, zonder vermenging van substantie.
We zien dat theologische vragen niet los te maken zijn van achterliggende filosofische vooronderstellingen. Het geloof in God heeft een transformerend effect op het leven van de mens zonder te vervallen in vermenging van de substanties, van mens en God. De filosofie kan helpen om theologische vragen op dit punt te verhelderen. Al nemen de filosofische beschouwingen in het proefschrift van Klaassen een ondergeschikte plaats in, ze spelen wel voortdurend een rol op de achtergrond. Het blijft een mysterie dat de mens volmaakt rechtvaardig is in Christus terwijl hij in zichzelf zondaar blijft. Uiteindelijk is het christenleven een paradox, zeker voor de filosofie.

Recensie dr. K. van der Zwaag in: Sophie, (uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie), juni 2014, 50-51