Maarten Klaassen, In Christus rechtvaardig. Reformatorische perspectieven op rechtvaardiging en eenheid met Christus, Apeldoorn: Labarum Academic, 2013.

In de dissertatie waarop Maarten Klaassen, hervormd predikant in Sliedrecht, in juni 2013 promoveerde staat de vraag centraal hoe de rechtvaardiging als ‘toegerekende gerechtigheid’ zich verhoudt tot het concept van participatie in Christus (43). Van verschillende kanten wordt namelijk beweerd dat er tussen deze twee concepten in de reformatorische traditie spanning bestaat. De reformatorische traditie zou zo sterk gefocust zijn geweest op extra nos van het heil, dat men verleerd heeft de relatie tussen Christus en de gelovigen te duiden in ontologische termen. Hierdoor kon het lijken alsof de weldaden van Christus verkrijgbaar waren zonder verbondenheid met Hem zelf, en rechtvaardiging zonder heiliging. Men zou kunnen zeggen dat in deze debatten het oude rooms-katholieke verwijt weer herleeft dat de reformatorische rechtvaardigingsleer een ‘legal fiction’ is.
In de inleiding op zijn boek legt Klaassen eerst zijn oor te luisteren bij theologen uit verschillende disciplines die zich kritisch hebben uitgelaten over de imputatieve rechtvaardigingsleer. Hij bespreekt allereerst bijbels-theologen, zoals N.T. Wright en M.A. Seifrid, die menen dat de idee van de toegerekende gerechtigheid niet, of zeer fragmentarisch, bij Paulus te vinden is. Daarnaast bespreekt hij revionistische lezingen van de theologie van Luther en Calvijn, waarin aandacht wordt gevraagd voor de centrale plaats die de unio cum Christo in het denken van beide reformatoren inneemt. Ook de kritiek van de ‘Radical Orthodoxy’ op de gereformeerde traditie passeert de revue. Een interessante andere stem, die juist opkomt voor het primaat van de imputatie ten opzichte van de unio, is die van Michael Horton. Volgens hem is de toerekening van Christus’ gerechtigheid aan ons juist de juridische grond voor de unio.
Het doel van Klaassens studie is nu om na te gaan hoe de imputatieve rechtvaardiging zich verhoudt tot de unio cum Christo in de reformatorische traditie. Hij onderzoekt daarvoor vier theologen: Luther, Calvijn, Melanchton en Owen. Behalve bij Owen geeft Klaassen in elk hoofdstuk een chronologische bespreking van het thema in de daarvoor relevante geschriften en een synthetische analyse. De conclusie van zijn onderzoek is kort samengevat dat bij allen, behalve bij Melanchton, de unio cum Christo inderdaad centraal staat, maar dat de imputatie van Christus’ gerechtigheid aan de gelovige daarvan een onmisbaar aspect is. Met andere woorden: de forensische rechtvaardiging is nooit geïsoleerd aanwezig, maar is altijd intrinsiek verbonden met de andere gaven die de gelovigen toevloeien in de gemeenschap met Christus. Wel is het de primaire en funderende gave van Christus aan de gelovigen.
Na de analyse van de vier theologen, volgt nog een hoofdstuk over hun gemeenschappelijke ‘brontheoloog’ Paulus. In dit hoofdstuk gaat Klaassen in gesprek met nieuwtestamentici die kritiek hebben geuit op de verankering van de imputatie-gedachte in Paulus’ theologie. Klaassen geeft de critici gelijk dat het moeilijk is om dit idee bij Paulus expliciet terug te vinden. Wel kan de imputatieleer gezien worden als een theologische constructie waarvan de bouwstenen bij Paulus te vinden zijn (Rom. 4-5, 2 Kor. 5:21). De imputatie van Christus’ gerechtigheid kan echter nooit begrepen worden los van de unio. Klaassen komt tot de conclusie dat imputatie gezien kan worden als dat aspect van de unio dat de juridische basis van de rechtvaardiging biedt (357).
In een slothoofdstuk met een systematisch-theologisch karakter kiest Klaassen voor het primaat van de unio, maar stelt dat het imputatieve aspect van de rechtvaardiging van belang blijft om helder te houden dat in de unio Christus en de gelovigen onderscheiden zijn. Dit heeft twee voordelen. Zo blijft allereerst het extra nos-karakter van het heil gehandhaafd (wij zijn rechtvaardig in Christus alleen). Ten tweede helpt dit om te voorkomen dat de grens tussen God en mens in de unio vervaagt, wat in sommige concepten van theosis dreigt. Dan wordt zozeer benadrukt dat wij deel hebben aan Gods eigen natuur in Christus, dat onduidelijk wordt waarom wij nog de vreemde gerechtigheid van Christus als mens nodig hebben. Rechtvaardiging wordt dan toch weer gebaseerd op iets in de gelovige.
De studie van Klaassen is met name waardevol, omdat het een grondige diachrone en systematische analyse biedt van het denken van een viertal grondleggers van de gereformeerde traditie over rechtvaardiging en eenheid met Christus. Ik begrijp de keuze om ook een impressie te geven van Paulus’ denken over dit thema, om vervolgens de stap te kunnen zetten naar de systematisch-theologische bijdrage. Toch denk ik dat de auteur daarmee te veel hooi op zijn vork genomen heeft. Klaassens verdediging van de imputatie bij Paulus is uiterst summier en vergt diepgaandere exegetische studie om overtuigend te zijn. Wellicht zou in een vervolgstudie een exegetische vergelijking tussen de reformatoren en NPP’ers gegeven kunnen worden.

Recensie B. van Egmond in: Theologia Reformata, maart 2014, 91-93