Mijn blog over de hoofdbedekking leverde verschillende reacties op. Een van de vragen was of het niet wat hypocriet is om alleen tijdens erediensten van vrouwen te vragen hun hoofd te bedekken. Paulus heeft het toch over ieder vrouw die ‘bidt en profeteert’?! Doe het altijd – of doe het niet. Maar niet alleen bij erediensten. Een reactie. 

Laat het even helder zijn: wat Paulus schrijft in 1 Korinthe 11 betreft de samenkomst van de gemeente – wat wij zouden noemen: de eredienst. Binnenshuis droegen vrouwen geen sluier of shawl, alleen in het openbare leven. Wat Paulus stoort is dat sommige vrouwen hun hoofdbedekking in de samenkomst van de gemeente afdoen, vanwege de gedachte dat man-vrouw verschillen er nu niet meer toe doen, omdat je in Christus gelijk bent. En dat is precies waar Paulus het niet mee eens is. Ja, man en vrouw zijn in Christus gelijk, maar daarmee hebben verschillen niet afgedaan. De scheppingsorde blijft – ook na de komst van Christus – gelden. En daar is de hoofdbedekking een symbool van. Wat mensen thuis doen, moeten ze zelf weten. Paulus verzet zich tegen het zichtbare, mogelijk provocerende gedrag van sommige vrouwen in de samenkomst van de gemeente. Hij wil dat daar duidelijk is dat de scheppingsorde gerespecteerd en gehandhaafd wordt.

De trend om hoofdbedekking niet langer te dragen is, althans wat Nederland betreft, een breuk met een eeuwenoude traditie.

Mijn vraag aan mensen die hoofdbedekking als iets achterhaalds zien: Welk motief zit hier achter? Is dat het resultaat van zorgvuldige Schriftstudie? Of zijn de motieven hiervoor niet veelmeer ingegeven door besmetting met het egalitaire/emancipatorische denken dan we zelf voor waar willen hebben?

En een tweede vraag: waarom zou je een goed gebruik afschaffen? Juist deze tijd vraagt erom om zuinig te zijn om symboliek en goede traditie. Want wat je eenmaal kwijtraakt, krijg je meestal niet meer terug.
Zelfs als je vindt dat er in het dragen van hoofdbedekking een tijdgebonden element zit – vrouwen dragen immers nu niet automatisch iets op hun hoofd, zoals toen het geval was – dan nog betekent dit niet dat het geen goed gebruik kan zijn, zeker in het licht van het hierboven genoemde emancipatorische zuurdesem die alle verschillen tussen man en vrouw wil uitwissen en moeite heeft met de bijbelse noties van ‘hoofd’ en ‘hulp’.

In mijn eerste gemeente was een vrouw die niet gewend was hoofdbedekking te dragen. Nadat ze tot geloof gekomen was, deed ze het wel – uit gehoorzaamheid aan Gods Woord. Ze vertelde me: ‘Dominee, het was alsof ik een kroon mocht dragen!’. Zij zag het als een aanvaarding van haar door God gegeven positie.

Ik laat mensen vrij in hun keuzes. En nogmaals, als iemand in zijn eigen gemoed ervan verzekerd is, het niet te moeten doen, dan respecteer ik die keuze. Anderzijds als mensen er bewust voor kiezen om, in afwijking van een eeuwenoud (goed) gebruik, zonder hoofdbedekking naar het Avondmaal komen, dan moet je het niet vreemd vinden dat dit voor anderen aanstootgevend is. En dan moet je het ook niet vreemd vinden dat een kerkenraad juist dan, op een moment dat door velen als heilig en bijzonder ervaren wordt, van elkaar vraagt hier rekening mee te houden.

Immers, de liefde kent haar plaats. En het is niet in haar geest om op te komen voor eigen gelijk; zij kan en wil de minste zijn voor een ander, ook als je zijn of haar overtuiging niet deelt. Daarom is in dit verband 1 Korinthe 10 (en 13) misschien nog wel belangrijker dan 1 Korinthe 11!