Afgelopen zondag stonden we stil bij de sleutels van het Koninkrijk van God: de verkondiging van het evangelie en de christelijke tucht. Vanuit Mattheüs 16 en Johannes 20 zagen we dat Jezus deze sleutelmacht aan de apostelen en in hen aan de kerk gegeven heeft. Iemand vroeg zich na afloop af hoe het nu precies zat met Mattheüs 16, omdat Jezus daar vooral Petrus en niet de andere discipelen aanspreekt. We zagen zondag dat de Rooms-Katholieke kerk daar erg op hamert en daar het begin ziet liggen van de bijzondere positie van Petrus die gecontinueerd is in het pausdom. Ik wees erop dat Jezus de vraag naar Zijn identiteit aan alle discipelen stelt en dat Petrus, namens hen allen, antwoord gaf. Van cruciale betekenis is hier het woord ‘petra’ uit vers 18. ‘Petra’ betekent letterlijk ‘rots’. Je kunt dus vertalen: op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen. De vraag is: slaat ‘petra’ nu Petrus of betekent het iets anders? Met name sinds de tijd van de Reformatie is hier veel discussie over ontstaan. Daarvoor was het een veel minder omstreden tekst. Volgens de meest gangbare uitleg in de vroege en middeleeuwse kerk slaat ‘rots’ op Christus of het geloof/de geloofsbelijdenis van Petrus. De Rooms-Katholieke uitleg heeft dus geen oude papieren. Toch zijn verschillende hedendaagse (protestantse) uitleggers van mening dat ‘rots’ zeker wel op Petrus kan slaan. Petrus is immers degene die als ‘rots’ een belangrijke rol inneemt, met name in de formerende fase van de christelijke gemeente (zie het eerste gedeelte van Handelingen). Deze uitleg hoeft geen ondersteuning te zijn van de katholieke visie op het pausdom, omdat ook wanneer je Petrus ziet als referent van de ‘rots’, de tekst nog niets zegt over apostolische successie, de opvolging van Petrus of de onfeilbaarheid van de paus. D.A. Carson merkt terecht bij deze tekst op dat Petrus een vooraanstaande positie krijgt, omdat hij de eerste is die Jezus belijdt als de Messias. Maar in Handelingen 11 lees je dat hij bevraagd wordt en zich verantwoordt voor de gemeente over zijn omgang met heidenen. Hij had dus zeker geen machtsmonopolie. In de Galatenbrief lezen we zelfs dat hij door Paulus berispt wordt over zijn verkeerde gedrag in de gemeente van Antiochië (Gal. 2: 11-14). Geen ‘superapostel’ dus, wel de primus inter pares (de eerste onder zijn gelijken), en een van degenen die deel uitmaakt van het ‘fundament van de apostelen en profeten’ waar Jezus Zijn gemeente op bouwt. De bevoegdheid om de sleutels te hanteren was een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarin Petrus weliswaar een belangrijke rol in gespeeld heeft (zie zijn rol op de Pinksterdag), maar die hij gedeeld heeft met de andere apostelen (vgl. Joh. 20: 22-23). (C.f. Grant Osborne, Matthew, 625-630; Keith A. Matthison, The Shape of Sola Scriptura, 184-191)