Elke zaterdag probeer ik een brief te lezen van de bekende Engelse predikant John Newton (1725-1807), voormalig kapitein op een slavenschip. Newton voerde correspondentie met een verder anoniem gebleven man van adel, de zgn. ‘Letters to a Nobleman’.In deze brief gaat hij in op een christen in relatie tot God, zichzelf en zijn medemensen. Ik heb een stukje uit deze brief vertaald waarin hij vertelt wat een christen is in relatie tot God. Het is goed om bij het lezen onszelf de vraag te stellen: ben ik zo’n christen? 

De christen is een nieuw schepsel, van boven geboren, van boven geleerd. Hij is overtuigd van zijn schuld en ellende als zondaar en heeft zijn toevlucht genomen tot de ‘hoop die voor ons ligt’ (Hebr. 6: 18). Hij heeft de Zoon gezien en in Hem geloofd; zijn natuurlijke vooroordelen tegen de heerlijkheid en genade van Gods verlossing zijn bedwongen en gestild door Gods almachtige kracht; hij heeft de Geliefde aanvaard en is aanvaardbaar gemaakt in Hem. Hij kent nu de Heere en heeft de verwarde, afstandelijke, troosteloze gedachten die hij ooit had over God verworpen en ziet Hem nu ‘in Christus’, die de Weg, de waarheid en het Leven is (Joh. 14: 6), de enige Deur (Joh. 10: 9) waardoor we echte bevredigende kennis van God of gemeenschap met Hem kunnen binnen gaan. Maar hij ziet God ‘in Christus’: verzoend, een Vader, een Redder en een Vriend, die hem uit genade al zijn zonden vergeven heeft en hem de Geest van aanneming gegeven heeft. Hij is nu niet langer een knecht, veel minder een vreemdeling, maar een zoon, en omdat hij een zoon is, een erfgenaam – die nu al deel heeft aan al de beloften, hij heeft toegang tot de troon van de genade en verwacht met zekerheid de eeuwige heerlijkheid.

(Uit: The Works of John Newton, Edinburg, vol. I, blz. 534-535)