”Dat nooit” is het verslag van een protestant die zich bekeerde tot de Rooms-Katholieke Kerk. Joan Lindhout noemt het zelf de „culminatie van een lange geloofsreis die begon met ontkenning en ridiculisering van alles wat katholiek was en die eindigt bij het volledig omarmen daarvan”. In veertien hoofdstukjes volgen we de reis van een hervormd-gereformeerde ouderling die eindigt met zijn eerste communie. Opgevoed met het idee dat Rome dwaalt, komt hij tot de overtuiging dat niet Rome moet terugkeren naar de waarheid, maar hijzelf. Zijn boek past in een bredere trend van protestanten die om allerlei redenen vragen krijgen bij aspecten van het protestantisme en houvast zoeken en vinden in de kerk van Rome. Die zoektocht kan voortkomen uit de versnippering van het protestantse landschap, de morele onduidelijkheid binnen protestantse kerken of de vraag hoe de Schrift verstaan moet worden in een oerwoud aan visies en meningen. Dan lijkt Rome een wenkende haven. Daar is immers eenheid, een duidelijk ethisch kader en het is de kerk die met haar leergezag vertelt hoe de Schrift verstaan en uitgelegd dient te worden. Deze factoren hebben duidelijk een rol gespeeld in de bekering van Lindhout tot de Romana.
Wervend karakter
Over zo’n keuze is natuurlijk veel te zeggen. Lindhout heeft zijn boek duidelijk niet alleen geschreven als verslag van zijn reis, maar ook als een verantwoording, een apologie met een duidelijk wervend karakter: hij wil de lezer niet alleen overtuigen van de juistheid van zijn keuze, maar hem ook aanzetten tot nadenken en mogelijk tot navolging. Echter, het is niet evident dat de vragen die Lindhout stelt, ook tot de antwoorden moeten leiden waar hij bij uitkwam.
Voor Lindhout leidt lezing van de kerkvaders tot Rome, maar dat is geen automatisch gevolg. Weinig theologen hadden zo veel kennis van de kerkvaders als Johannes Calvijn – lees het monumentale werk van Irena Backus – maar hij kwam tot andere keuzes dan Lindhout, hoewel de Geneefse hervormer niet schroomde preken van Johannes Chrysostomus uit te geven. De uitspraken van de kerkvaders over de aanwezigheid van Christus in de eucharistie hoeven niet per definitie te leiden tot de aanvaarding van de – veel latere – transsubstantiatieleer. Voor Lindhout is dat blijkbaar hetzelfde, maar dat is historisch niet juist. Lees Calvijns indrukwekkende traktaatje ”Een met Christus” en zie hoe je het avondmaal geheel in lijn met de Vroege Kerk kunt opvatten, zonder in de valkuil van de transsubstantiatie te vallen. En wie Augustinus’ doopvisie binnen het geheel van zijn theologie leest, hoeft niet in de valkuil van een veronderstelde wedergeboorte door de doop te vallen. Diezelfde Augustinus heeft een uitverkiezingsvisie die zeker niet door Rome is overgenomen en veel beter bewaard is in de Reformatie. Hoe problematisch Augustinus als ”doctor gratiæ” was, is wel gebleken in de behandeling van de jansenisten door Rome.
Angel
Kortom, vele wegen leiden naar Rome, maar het is geen must deze weg te gaan. Integendeel, wie de Schrift beschouwt als ”norma normans” blijft met veel vragen zitten na lezing van dit boek. De auteur is enthousiast over Mariadevotie, het bidden van de rozenkrans, het vagevuur en andere praktijken die niet zijn terug te leiden tot de Schrift en zelfs haaks daarop staan. Dat heeft uiteraard te maken met een andere visie op Schrift en traditie. Voor Lindhout is het de kerk die met haar traditie bepaalt wat en hoe er geloofd moet worden. Daarbij speelt de Schrift een rol, maar die is niet doorslaggevend. Dat is het magisterium van Rome met zijn leergezag. En dat lijkt me dan ook de grootste angel. Het primaat van Rome en zijn paus is de zwakste schakel in de Rooms-Katholieke Kerk. Elke historicus weet dat. Het is een late inventie die noch teruggaat op de Schrift, noch op het vroege christendom. Zou dat de reden zijn dat Lindhout uitgerekend dat punt laat liggen?
Joan Lindhout, Dat nooit. Hoe een protestant onverwachts thuiskwam in de moederkerk uitg. Una Sancta Publishing, 173 blz.