Deze tijd vraagt om christenen die in staat zijn op intellectuele wijze verantwoording af te leggen van de hoop die in hen is, betoogt ds. M. Klaassen.

Onder de titel ”God is ook maar een mening” betoogden Thijs Kleinpaste (D66) en Marcel Duyvestein (PvdA) onlangs in de Volkskrant dat het maar eens afgelopen moet zijn met de bevoorrechting in de wetgeving van gelovigen en op geloof gebaseerde instellingen. Een zinnetje in hun betoog zette mij aan het denken: „Volgens ons is geloof een mening.” Op de website van Kleinpaste kunnen bezoekers over deze stelling stemmen. Driekwart van de bezoekers geeft Kleinpaste gelijk: geloof is niet meer dan een mening. En meningen heb je nu eenmaal veel, dus waarom zou bijvoorbeeld de christelijke opvatting meer recht van spreken hebben dan andere ‘meningen’?

De populariteit van een dergelijke opvatting moet christenen aan het denken zetten. Het roept op tot bezinning en een apologetische weerwoord. CDA-Kamerlid Koopmans betoogde voor het Radio 1 Journaal in gesprek met Kleinpaste dat geloof niet maar een mening is, maar veel meer. Maar waarom?

Achter de opvatting van Kleinpaste en Duyvestein gaat de gedachte schuil dat geloof niet het predicaat van ‘kennis’ verdient. Je komt deze opvatting onder meer tegen in het empirisch realisme: alleen waarneming leidt tot kennis. God en de hele transcendentale werkelijkheid zijn per definitie aan onze waarneming onttrokken en daarom geen voorwerp van kennis. Hooguit kun je over Hem een mening hebben. Dit is een gedachte die sinds Immanuël Kant gemeengoed is geworden. Hiermee komt het christelijke geloof in de vergaarbak van meningen terecht.

Wat moet je als christen hierop zeggen? De kans is groot dat menig christen vandaag valt voor de plausibiliteit van deze gedachte en zich laat terugdringen in het hok waar de liberalen hem graag willen hebben. Toch hoeven christenen niet ondersteboven te raken van de redenering dat wat niet empirisch bewijsbaar is, niet de naam van kennis verdient. Het fundament waar deze redenering op is gebaseerd, is minder stevig dan men zou vermoeden. Er is al vaak op gewezen dat de aanname dat kennis empirisch bewijsbaar moet zijn, zelf niet empirisch te bewijzen valt!

Het is met name het gedachtegoed van de invloedrijke Amerikaanse godsdienstfilosoof Alvin Plantinga dat ons hier goede diensten kan bewijzen. Het voert in dit bestek uiteraard te ver om uitgebreid in te gaan op Plantinga’s epistemologie (kennisleer), maar een paar elementen eruit kunnen helpen om opvattingen als die van Kleinpaste c.s. te weerleggen.

Plantinga betoogt dat het geloof in God (en de daarop gestoelde christelijke overtuiging) wel degelijk de naam van kennis verdient, ook al kun je daarvoor geen empirische evidentie aandragen. Een gelovige die op grond van het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest de Schrift gelooft, hoeft zich daarvoor niet te schamen. Plantinga heeft aangetoond dat het geloof in God (theïsme) een basisovertuiging is die op eigen voeten kan staan en geen verdere onderbouwing met argumenten nodig heeft.

Plantinga tekent bezwaar aan tegen de gedachte dat alleen waarneming tot geldige kennis leidt. Ook kennis die niet direct empirisch te onderbouwen is, geldt als echte kennis. Heel vaak zullen we in het dagelijks discours onze kennis niet ontlenen aan empirisch bewijs, maar aan ons geheugen of aan in onze ogen betrouwbare andere mensen. Het is voldoende als een overtuiging voldoende ‘gewaarborgd’ is.

Ook het geloof in God geldt volgens Plantinga als een gewaarborgde ware overtuiging. Een gelovige heeft geen externe bewijzen nodig heeft om in God te kunnen geloven. Het innerlijke godsbesef dat elk mens heeft is voldoende waarborg om in God te geloven. Het bestaan van God dringt zich onweerstaanbaar aan de mens op. Dat is genoeg om het geloof te ‘waarborgen’.

De relevantie van Plantinga’s theorie voor het christelijk geloof is evident. Al kunnen we anderen niet overtuigen van de waarheid van het christelijke geloof (dat kan alleen de Geest), we hoeven het geloof zeker niet af te laten voeren naar de vergaarbak van menselijke meningen. Het geloof in de levende God is niet meer en niet minder dan een „stellig weten of kennis.”

In het licht van de toenemende secularisatie, de groeiende onkunde en het toenemend verzet tegen het christelijk geloof en allerlei daaraan gerelateerde activiteiten is het tijd dat christenen (weer) leren verantwoording af te leggen van de hoop die in hen is. De bekende apologeet Ravi Zacharias schreef enige jaren geleden een boek met als titel: ”Kerken, bent u gereed?”. Laten we die vraag ter harte nemen en investeren in apologetische toerusting van predikanten, studenten en allen die tot verantwoording geroepen worden. Daarvoor is in de eerste plaats een levend geloof noodzakelijk, maar ook de intellectuele training om „alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, neer te werpen en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus” (2 Kor. 10:5).

‘Geloof meer dan een mening’, in: Reformatorisch Dagblad, 02-04-2011