De Reformatie begint bij een mens. Theologisch bezien klopt deze these natuurlijk niet, maar historisch beschouwd begint de Reformatie bij een mens. Wat Anton Philips is voor de Philipsfabriek, is Maarten Luther voor de Reformatie.

Het Reformatiejaar is in volle gang. Dat blijkt uit de vele publicaties, congressen en andere activiteiten dit jaar. Vanuit allerlei invalshoeken wordt er naar de Reformatie gekeken: sociologische, economische, cultuurhistorische en spiritualiteitshistorische. Al deze benaderingen hebben hun waarde – mits niet vergeten wordt dat de Reformatie begon bij een mens: bij de existentiële zoektocht van een mens naar God, naar de betekenis van Gods Woord. Een mens die opgejaagd uit het middeleeuwse systeem, waarin hij geen vrede kan vinden voor zijn aangevochten hart, driftig klopt op de Bijbel, om God te kennen zoals Hij in waarheid is. ‘De Reformatie was niet in de eerste plaats een geding met de misstanden in de kerk van de Middeleeuwen, maar de vraag naar de bevrijding van de ziel’ (W. van Vlastuin).

Luther loopt existentieel en theologisch vast met de kerk van zijn dagen. In de dan geldende middeleeuwse visie op het heil is rechtvaardiging –anders dan in de reformatorische visie– een levenslang proces dat begint bij de doop en pas tot voltooiing komt voor Gods troon. Om rechtvaardig te worden, is het nodig dat de gelovige verdienstelijke werken doet door het gehoorzamen van Gods geboden. Pas door de medewerking van de gelovige kan het proces van rechtvaardiging tot voltooiing komen. De onvolmaakte menselijke gehoorzaamheid speelt dus een bepalende rol in het bereiken van het heil. In deze redenering is geen sprake van de gedachte van de toegerekende gerechtigheid van Christus. De gerechtigheid die de gelovige heeft, is feitelijk zijn éigen gerechtigheid die hij –met hulp van Gods genade– bewerkstelligd heeft.

Geloofszekerheid

De jonge Luther denkt aanvankelijk volgens dit schema. In zijn vroege colleges spreekt hij onbekommerd over de gelovige als gedeeltelijk rechtvaardig en gedeeltelijk onrechtvaardig. Niemand kan in dit leven volmaakt rechtvaardig zijn; dat kan pas in de hemel. Daarom past het de gelovige om in ootmoed zijn weg te gaan en alleen te hopen op Gods genade en barmhartigheid. Geloofszekerheid is in dit schema niet mogelijk. Immers, zolang de menselijke bijdrage een rol van betekenis speelt, kan men nooit zeker zijn. Luther loopt op een gegeven moment vast met dit schema. Want als het zo is dat menselijke gehoorzaamheid een bepalende rol speelt in het bereiken van het heil, dringt zich uiteraard de vraag op: maar wanneer is dat genoeg? Wanneer is het goed genoeg? Als het niet de gerechtigheid van Christus is die mij redt, dan is het feitelijk mijn eigen gerechtigheid die het moet doen – en al wordt er dan met de lippen beleden dat het genade is, het werpt je terug op jezelf.

Luther voelt heel goed aan dat niet alleen zijn zonden, maar net zo goed zijn ‘goede werken’ onvolmaakt en met zonde bevlekt zijn. Want al bidt hij veel in het klooster; zijn die gebeden wel oprecht? Luther drijft zijn biechtvaders tot wanhoop door soms zes uur achter elkaar zijn meest recente zonden op te biechten – en terwijl hij dat doet voegt hij er weer nieuwe aan toe, want dankzij deze urenlange biecht mist hij de dienst… Ja, berouwvolle zondaars wordt vergeving beloofd, maar alleen als je hart waarlijk verbroken bent en hoe weet je dat? Dit zelfonderzoek werpt hem hoe langer hoe meer terug op zichzelf en maakt hem wanhopig. Hij krijgt een afkeer van God: ‘Ik kon echter die rechtvaardige God, Die zondaren straft, niet liefhebben. Ik haatte Hem zelfs…’.

Ontdekking

Dat verandert door zijn omgang met het Woord. Teruggekomen van zijn teleurstellende reis naar Rome, stelt zijn overste hem aan tot hoogleraar in de theologie. Luther krijgt een leeropdracht om Bijbelse theologie te geven. Die werkzaamheid brengt hem in nauwe aanraking met de Bijbel – en dat is voor hem een heilzaam medicijn. Met grote ijver begint Luther colleges te geven, over de Psalmen, de Romeinenbrief, de Galatenbrief en de Hebreeënbrief. Dat is de basis voor zijn reformatorische ontdekking, het radicale inzicht rijst dat Gods gerechtigheid een geschénk is dat een mens door het geloof ten deel valt.

Bij deze ontdekking gaat het om het verstaan van twee woorden die Luther niet begrijpt: iustitia dei; gerechtigheid van God. Luther is vertrouwd met de opvatting dat Gods gerechtigheid zoveel betekent als: God is rechtvaardig en geeft ieder het zijne. Dat betekent uiteraard voor de zondaren weinig goeds. Luther vindt het dan ook onbegrijpelijk dat David in Psalm 31 kan bidden: Bevrijd mij door Uw gerechtigheid… ‘Ik haatte dat woord ‘gerechtigheid’; het vervloekte en verdoemde mij. Ik zei tegen God: houdt U dan nooit op mij te plagen met Uw toorn? Maar ik hield niet op te kloppen tegen dat woord van Paulus: ‘De rechtvaardige zal door zijn geloof leven’.

Kloppen –een term uit de middeleeuwse mystiek– betekent een tekst, een woord uit de Bijbel bestuderen, er over nadenken, bemediteren, net zolang tot hij zijn ware zin en betekenis te verstaan geeft.  Als climax in een jarenlang durend proces ontdekt hij in 1518 met een schok dat er ook een andere betekenis mogelijk is. Luther leest Romeinen 1, vers 17: het evangelie is een kracht van God tot zaligheid, wánt de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard… Gerechtigheid van God is dus voor Paulus goed nieuws. En ineens begrijpt Luther het: Gods gerechtigheid is iets positiefs. Het is een gave, een geschenk.

‘En ineens zag ik het: wij leven, wij leven niet door ons doen, maar door Gods schenkende gerechtigheid in Christus. Toen werd die tekst van Paulus mij tot een porta paradisi, tot een deur van het paradijs’.

Wij leven, wij leven niet door ons doen, maar door Gods schenkende gerechtigheid in Christus: dat is het hart van Luthers reformatorische ontdekking. Gerechtigheid is een geschenk waarmee God de onrechtvaardige rechtvaardig maakt.”

Delen

Zoals een bruid deelt in de goederen van haar bruidegom, zo deelt de gelovige in de goederen van Christus. De hele Christus valt de gelovige ten deel, Zijn gerechtigheid wordt mijn gerechtigheid. Die vereniging met Christus is zo radicaal ‘dat het mijn eigendom is dat Christus geleefd heeft, gewerkt heeft, gesproken, geleden en gestorven, dat is niet anders als had ik zelf geleefd, als had ik zelf zo gehandeld en gesproken, alsof ik zelf geleden had en gestorven was. Zoals een bruidegom alles heeft wat de bruid heeft en de bruid alles heeft wat de bruidegom toebehoort, alles hoort hen beiden gemeenschappelijk toe. Want ze zijn één vlees, zoals Christus en de gemeente één Geest zijn.’

De gelovige ziel beschikt over alles wat van Christus is als was het zijn eigendom. Andersom is het ook waar: alles wat de ziel toebehoort, behoort nu ook Christus toe. Christus is vol genade, leven en heil; de ziel vol zonden, dood en verdoemenis. Dat laatste behoort nu echter Christus toe, de genade, het leven en het heil behoort de gelovige toe. Daarom mag een gelovige vol vertrouwen zeggen: ‘Als ik gezondigd heb, zo heeft toch mijn Christus niet gezondigd in Wie ik geloof en Wiens hele bezit van mij is, zoals het mijne van Hem is.’

Deze existentiële ontdekking van de mens Luther is het hart van de Reformatie. Zijn vraag ‘Hoe krijg ik een genadig God?’ is vandaag niet minder relevant dan toen. En het antwoord vandaag is evenmin anders dan toen: door het geloof in de gekruisigde Christus, die ons geworden is wijsheid van God, rechtvaardigheid, en volkomen verlossing. Daar wees zijn biechtvader, Johann van Staupitz hem heen – en het was balsem voor zijn ziel. Je moet met je zonden bij Christus zijn; troost vindt je alleen in de wonden van Christus. En daar heeft hij het gevonden. Zo ontdekte hij: geloven is ruilen. U mijn zonden, ik Uw gerechtigheid.

‘Luther klopt heil uit tekst’, artikel ‘Toegespitst’ in Reformatorisch Dagblad, 11-02-2017