Het Lutherstandbeeld in Wittenberg kreeg recent een blinddoek voor – een protest tegen Luthers felle uitspraken over de joden. Maar schuilt er achter dit protest geen ongemak met de Reformatie zélf?

Veel kranten berichtten vorige week over de verklaring waarin de Protestantse Kerk in Nederland afstand nam van de gewraakte uitspraken. Aanleiding hiervoor is de ophanden zijnde Reformatieherdenking in 2017.

Nu is het een goede zaak om het verleden onder ogen te zien en niet weg te lopen voor de schaduwzijden hiervan. Het verleden kan niet overgedaan, gerectificeerd, laat staan ongedaan gemaakt worden. Het onder ogen zien en zich op een nieuwe manier ertoe verhouden, is de enige begaanbare weg, door rabbijn Evers terecht een „proces van inkeer” genoemd.

Hoewel Luthers uitspraken geen afwijking vormen van wat tijdgenoten te berde brachten, is zijn in afkeer omgeslagen teleurstelling op geen enkele manier te rechtvaardigen. Het is evident dat de reformator een blinde vlek had voor de verbondstrouw van God ten aanzien van het Joodse volk. Het is daarom terecht dat de Protestantse Kerk deze verklaring deed uitgaan.

Maar wie de verklaring nauwkeurig leest, bekruipt het gevoel dat er meer speelt dan alleen maar verlegenheid met Luthers ongemakkelijke woorden. Speelt er ook geen ongemak mee met de Reformatie zelf en haar verstaan van Paulus en het jodendom? Het hoofdredactionele commentaar in van deze krant van 12 april jongstleden zou er wel eens niet ver naast kunnen zitten. Daarin werd de vraag gesteld of het aandringen op excuses alleen maar voortkomt uit zorg voor de Joden of ook om de erfenis van de Reformatie in diskrediet te brengen.

Na enkele lovende woorden over het feit dat Luther „ook mooie dingen” gezegd heeft, zoals over de bevrijdende leer van de rechtvaardiging door het geloof, spreekt de auteur, ds. W. T. V. Verhoeven, over de ontwikkeling die de lutherse theologie en misschien ook wel de gehele christelijke theologie doorgemaakt heeft. Met deze ontwikkeling doelt zij op een andere visie op de wet en het jodendom. „Wij zijn ”de wet” anders gaan bekijken door de Joodse inzichten die wij in contacten met het Jodendom leerden kennen, en we hebben ook bij Luther zelf andere aspecten van het spreken over de wet ontdekt.”

Deze woorden roepen de vraag op: waar doelt ds. Verhoeven op als ze spreekt over de andere visie op de wet en het jodendom? Dat blijft gissen, want dat maakt ze nergens expliciet. Maar het vermoeden lijkt gerechtvaardigd dat de auteur hiermee doelt op een belangrijke beweging in de 20e-eeuwse Bijbelwetenschap die in gang is gezet door auteurs als de lutherse (!) theoloog Stendahl en E. P. Sanders die geleid heeft tot een grondige revisie van het traditionele beeld van het jodendom, de wet en Paulus. Dit heeft op zijn beurt weer gevolgen gehad voor de manier waarop binnen de theologie de reformatoren en hun kijk op de wet en het jodendom geduid werd.

Religie van genade

Het is met name E. P. Sanders geweest die met zijn boek ”Paul and Palestinian Judaism” een steen in het water wierp van de vijver van de nieuwtestamentische wetenschap. Sanders verzette zich tegen het beeld van het jodendom als een legalistische religie waarin men de zaligheid zou moeten verdienen door gehoorzaamheid aan de Thora. Uit bronnenonderzoek naar joodse literatuur kwam een ander beeld tevoorschijn. Israël was volk van Gods genadige verkiezing met wie Hij in een verbond getreden was. De Thora is expressie van het verbond tussen God en Israël en is bedoeld om de relatie tussen God en Israël te handhaven en te reguleren. God eist gehoorzaamheid en straft overtreding, maar de Thora voorziet met de offercultus ook in middelen tot verzoening en herstel. Anders gezegd: gehoorzaamheid aan de wet is nodig, maar staat in een raamwerk van genade, waarvan de coördinaten gevormd worden door verkiezing, verbond en verzoening. Het jodendom was dus wel degelijk een religie van genade.

De vraag dient zich dan aan: waar ageert Paulus in zijn brieven dan zo tegen? Het traditionele antwoord was natuurlijk: op het legalisme in het jodendom dat door de werken der wet gerechtvaardigd meent te worden. Nu het nieuwe onderzoek echter aantoonde dat dit beeld niet klopt en het er in het jodendom helemaal niet om ging om door werken gerechtvaardigd te worden, werd op deze vraag een nieuw antwoord geformuleerd. Paulus zou niet ageren tegen vermeende werkgerechtigheid, maar tegen een onzalig joods nationalisme, dat anderen –lees: heidenen– uitsloot. Om werkelijk bij het volk van God te horen, zouden –althans, volgens sommige gemeenteleden– in Jezus gelovende heidenen zich ook moeten onderwerpen aan typische joodse gebruiken als besnijdenis en voedsel- en reinheidswetten. Dát is waar Paulus tegen ageert als hij protesteert tegen de zogenaamde werken der wet. Het opleggen van een joodse levensstijl aan nieuwe gelovigen is een belemmering van het missionaire elan van de kerk. Voor Paulus is geloof in Jezus, zonder de werken der wet, genoeg. Voor joden en heidenen.

Dit nieuwe perspectief op het jodendom en op Paulus leidde ertoe dat ook Luther en zijn uitleg van de brieven van Paulus onder kritiek werd gesteld. Zo stelt nieuwtestamenticus James Dunn dat Luther –en daarmee ook zijn theologie– Paulus verkeerd begrepen heeft als het gaat om het jodendom en de betekenis van de rechtvaardiging. Luther vond het jodendom van Paulus’ dagen een gedegenereerde religie, te vergelijken met het katholicisme van zijn dagen.

Het verwijt van Dunn c.s. is dat Luther zijn eigen worsteling met de semipelagiaanse theologie van de kerk in de middeleeuwen heeft geprojecteerd op de conflicten die Paulus had met de judaïserende christenen in de gemeenten van Rome en Galatië – waarbij het jodendom een katholiek verdienstelijkheidsgeloof avant la lettre werd. Het gaat echter niet aan om het reformatorische verstaan van de mens, die onder het oordeel van de wet staat en daarom zijn heil moet zoeken bij Christus, terug te lezen in Paulus, zo stelt het nieuwe perspectief op Paulus.

Het is dit ongemak dat mede heeft bijgedragen aan de verklaring van vorige week. Het zijn niet alleen Luthers uitspraken over de joden die het moeten ontgelden, het is ook de traditionele rechtvaardigingsleer met zijn vermeende negatieve beeld van de wet en het jodendom, die met deze verklaring een veeg uit de pan krijgt. De positieve woorden over Luthers rechtvaardigingsleer ten spijt, raakt deze verklaring deze leer –en daarmee de Reformatie zelf– in het hart.

Levensgroot probleem

Het is de vraag of dit terecht is. Het is waar dat Sanders een terechte correctie heeft aangebracht op het traditionele beeld van een legalistisch jodendom. Het jodendom ten tijde van Jezus had weet van genade, al moet daar direct de kanttekening bij gemaakt worden dat er wel degelijk stromingen zijn met legalistische opvattingen, zoals de gedachte dat je geoordeeld wordt op basis van de meerderheid van je daden of zelfs dat iemands lot bepaald wordt door zijn laatste daden.

Echter, zoals de nieuwtestamenticus Andrew Das betoogt. heeft Paulus’ moeite met het jodendom vooral een christologische spits. Zijn grootste zorg is niet de vraag of het jodendom al dan niet genade kende, maar hun niet-erkennen van Jezus als Messias. En dat zorgt voor een levensgroot probleem. Immers, waar het verbond met Israël vroeger voorzag in vergeving door de offercultus, is deze vergeving voortaan verbonden aan de persoon van Jezus als het ultieme offer. Met het wegvallen van de offercultus –die tot vervulling is gekomen in Christus– rest het jodendom slechts de strenge eis tot gehoorzaamheid: een onmogelijke opdracht, voor joden en heidenen.

Uitgaande van de vooronderstelling dat de zondige mens onmogelijk de wet kan vervullen en dat werken der wet niet slechts slaan op de typisch joodse identiteitskenmerken zoals onderhouding van de sabbat en besnijdenis, maar op álles wat de wet van ons vraagt –zoals Thomas Schreiner in een recente studie betoogt– wordt het duidelijk waarom „de mens niet door werken der wet gerechtvaardigd” (Gal. 2:16) kan worden.

Als er een is die dat laatste begrepen en existentieel doorleefd heeft, is het Luther wel. Zijn ontdekking dat de wet slechts aan kan klagen en dat elk mens daarom Christus als einde en doel van de wet (Rom. 10:4) nodig heeft, is de grootste bevrijding in zijn leven geweest.

Misschien heeft Luther het toch beter gezien dan velen vandaag denken. Misschien is het wel zo dat niet Luther de blinddoek draagt, maar de kerk vandaag.

De auteur promoveerde in 2013 op de rechtvaardiging bij Luther en Paulus en bereidt een nieuwe publicatie over dit thema voor.

‘Luther verdient geen blinddoek’, artikel ‘Toegespitst’, in: Reformatorisch Dagblad, 23-04-2016