Theologie biedt wel degelijk antwoorden en precisie, reageert dr. M. Klaassen.

Verheugend om in het interview met theoloog Paul van Geest (RD 4-9) te lezen dat het onderzoek naar de kerkvaders een vlucht heeft genomen. Toch bleef ik na het lezen van het interview met twee vragen zitten.

Kenbaarheid

Ten eerste: Op de vraag naar de reden van de toegenomen belangstelling voor de kerkvaders, stelt Van Geest hen tegenover de catechismussen. Waar die met antwoorden komen, komen de patres met vragen. „Augustinus dacht in vragen, niet in antwoorden. Dat denken in vragen sluit beter aan bij mensen in deze tijd.” Antwoorden, aldus Van Geest, krijg je pas na dit leven. Ik vraag me af of zo recht gedaan wordt aan de kerkvaders in het algemeen en Augustinus in het bijzonder. Het is waar – Van Geest heeft daar ook elders op gewezen – dat Augustinus regelmatig aandacht vraagt voor de onkenbaarheid van God. Toch vroeg ik me af of we in dit interview niet een Augustinus gepresenteerd krijgen die wel erg op maat is gemaakt voor deze tijd, waarin zekerheid en stellige antwoorden verdacht zijn.
Het is helemaal waar dat de mens, de wereld, de geschiedenis zo oneindig complex is dat er altijd nieuwe vragen te stellen zijn. Dat een briljante geest als Augustinus dat telkens weer doet kan iedereen zien die kennis neemt van zijn geschriften. Augustinus was diep doordrongen van de beperktheid en de voorlopigheid van ons menselijke kennen. Hij wist al te goed dat wij „ten dele kennen” (1 Korinthe 13:9), dat het kennen in deze bedeling is als zien door middel van een spiegel in een raadsel waar we slechts de contouren van ontwaren. Maar dat beeld van de spiegel wil ook zeggen dat er wel degelijk iets te zien is. Hoewel we in deze bedeling niet geraken tot de hoogste kennis is er terdege kennis mogelijk.
Augustinus maakt een onderscheid tussen twee ”lichten”: het ongeschapen licht van God en het geschapen licht van het menselijk intellect. Zoals de maan zijn licht ontleent aan de zon, zo heeft de mens het vermogen om te delen in het licht van Gods kennis. Menselijke kennis kan beschouwd worden als een reflectie van de waarheid die zijn oorsprong vindt in God. Er is een overeenkomst tussen de rationele structuur van de menselijke geest en van Gods Geest. Door het geloof kan de mens tot verstaan komen: ik geloof om te begrijpen (credo ut intelligam).
De gelovige geest, die steunt op het gezag van de Schrift en de geloofsregel (waar het credo een expressie van is) kan tot betrouwbare kennis komen. Hoewel er sprake is van geloofskennis, is het wel echte kennis. Deze echte kennis geeft aanleiding te spreken over dingen „die onder ons volkomen zekerheid hebben” (Lukas 1:1). Antwoorden krijgen we dus niet alleen na dit leven.

Rechtvaardiging

Een tweede opmerking die ik wil maken betreft de rechtvaardigingsleer. Van Geest zegt dat het mis gaat zodra je de rechtvaardiging door het geloof te precies wilt definiëren. Ondertussen is zijn gebrek aan precisie in formuleren op dit punt zelf misleidend. Hij suggereert namelijk een consensus over de rechtvaardiging die er niet is. „Geen enkele katholiek zal ontkennen dat hij door het geloof wordt gerechtvaardigd.” Inderdaad. Maar wat bedoel je daarmee?
Op dit punt bestaat een wereld van verschil tussen de katholieke en de protestantse visie. Volgens de officiële katholieke lezing is rechtvaardiging een proces waarbij je als mens steeds rechtvaardiger wordt. De rechtvaardiging in de visie van Rome is iets wat zich in de mens voltrekt: de mens wordt rechtvaardig gemaakt. Vanuit protestantse optiek is dit een ineenschuiven van rechtvaardiging en vernieuwing. Het zijn twee verschillende zaken die wel onlosmakelijk verbonden zijn, maar altijd onderscheiden dienen te blijven. De grond van onze acceptatie door God is immers niet onze altijd onvolledige vernieuwing, maar de gerechtigheid van Christus buiten ons. Daarom kan het geloof ook zeker zijn.
Hoewel Rome stelt dat de mens uit genade gerechtvaardigd wordt, is er zo geen ruimte voor het sola fide. Het is niet het naakte geloof waardoor we om Christus’ wil gerechtvaardigd worden, maar altijd het geloof én de werken van de vernieuwde mens. Laten we niet vanuit een verlangen naar oecumenische consensus de theologen verwijten te streven naar teveel theologische precisie. Dan maken we ook van het sola scriptura een wassen neus.

‘Niks mis met heldere theologische taal’, in: Reformatorisch Dagblad, 12-09-2014