Welke relatie is er tussen zondekennis en prediking? Deze vraag is niet alleen van grote betekenis voor predikanten, die geroepen zijn het Woord te brengen. Ook voor gemeenteleden is het van belang. Wat mag je in dit opzicht van de prediking verwachten?

Zondebesef ontstaat door het Woord. Een heel belangrijk doel van de woordverkondiging is dat we geleid worden tot kennis van onszelf en kennis van God. Calvijn heeft laten zien dat je die twee niet van elkaar kunt losmaken. Door te horen wie de Heere is en wat de Heere wil, leer je ook jezelf kennen.
Wij moeten onszelf leren zien in het licht van wie God is. Dat is nodig, want ten diepste kennen we onszelf niet, althans niet zoals God wil dat we onszelf kennen: als zondaren. Daarom is het nodig dat onze werkelijke situatie aan het licht gebracht wordt. Zelfkennis en zondekennis hangen ten nauwste samen. Immers, als God gepreekt wordt zoals Hij is, dan zie je in het licht van Gods rechtvaardigheid je onrechtvaardigheid, in het licht van Zijn heiligheid je onheiligheid, in het licht van Zijn volmaaktheid je onvolmaaktheid.
Om tot deze zelfkennis te komen is het nodig dat de gemeente geconfronteerd wordt met de wet van God. De wet drukt immers uit wat God wil. Paulus zegt: ‘Door de wet is de kennis der zonde’ (Rom.3: 20). Onder de wet verstaan we niet slechts de Tien Geboden, maar alle woorden van de Schrift waarin Gods wil geopenbaard wordt. Dat geldt dus net zo goed het onderwijs van Jezus en van de apostelen.

Reformatorisch

Elke predikant is blijvend geroepen de wet te preken. Christelijke verkondiging betekent wet en evangelie preken. Deze onderscheiding behoort tot het hart van de reformatorische prediking. Als dit element vervalt uit de prediking, vervalt ook het recht om te spreken over reformatorische prediking.
Luthers reformatorische ontdekking heeft alles te maken met de ontdekking van het onderscheid tussen wet en evangelie. Luther vertelt dat hij eerst geen onderscheid maakte tussen ‘Mozes’ en ‘Christus’, maar dat hij leerde inzien onderscheid aan te brengen tussen de gerechtigheid van de wet en de gerechtigheid van het evangelie. Dit onderscheid was voor Luther zo fundamenteel dat het vermogen om wet en evangelie te onderscheiden voor hem bepalend was of je wel of geen theoloog genoemd kunt worden. De wet is naar Luthers opvatting het instrument dat God gebruikt om het kwaad in de mens te openbaren. Het is de stem van buitenaf die we nodig hebben om onze werkelijke toestand als zondaar voor God te onthullen.
Hierin stond Luther niet alleen.
Ook Calvijn deelde dit inzicht volledig. In zijn commentaar op de laatste vier boeken van Mozes stelt Calvijn: ‘Zodra de wet zich bij ons aandient, valt de vloek van God op ons hoofd’. In zijn eerste Institutie uit 1536 vergelijkt hij de wet met een spiegel die ons toont ‘hoe wij niets van hetgeen God ons voorschreef nauwkeurig onderhouden hebben (Rom. 3:19). Daarin kunnen we onze zonde en vervloeking zien en aanschouwen, zoals wij in een spiegel gewoonlijk de vuilheid en vlekken van ons gezicht zien.’

Kennis nodig

Deze confrontatie met de wet vraagt van een predikant kennis van het eigen hart en mensenkennis in het algemeen. De wet preken betekent niet mechanisch de geboden van God herhalen, maar op een creatieve manier de arglistigheid van het menselijk hart inzichtelijk maken, zodat mensen gaan beseffen: ‘Dat ben ik.’

De zonde manifesteert zich op duizend manieren. Die veelkleurigheid aan zonde is echter terug te brengen tot een aantal kernzonden, zoals hoogmoed, egoïsme en begeerte.

Symptomen

Het is belangrijk in te zien dat het preken van de wet nooit een doel op zich is. Een predikant is altijd dienaar van het evangelie, ook als hij de wet verkondigt. De wet staat immers in dienst van het evangelie. De prediking van de wet is – in Luthers woorden – Gods ‘vreemde werk’, dat moet leiden tot Gods ‘eigenlijke werk’, de overgave aan het evangelie van Jezus Christus.
Het werk van een predikant is hierin vergelijkbaar met dat van een arts. Een arts stelt aan de hand van de symptomen een diagnose (ziekte) en schrijft vervolgens een medicijn voor. Hetzelfde hoort ook in de prediking te geschieden. De concrete zonden in het leven van mensen zijn de symptomen van onze ziekte: we zijn zondaren.
Evangelieverkondiging kan alleen landen als er zondebesef is. Ook hier geldt het woord van Jezus: ‘Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn’. Als die diagnose is gesteld, kan ook het medicijn voorgeschreven worden.

Berouw

De verkondiging van de wet heeft maar één functie: ons uit onze schuilhoeken uitdrijven tot de bevrijdende overgave aan Jezus Christus. Zoals de verkondiging van de wet geen doel op zich is, zo is ook de zondekennis nooit een doel op zich. Met zondekennis alleen worden we niet zalig. Zondekennis moet leiden tot berouw. En berouw is meer dan zondekennis. Er is geen berouw zonder zondekennis, maar berouw is altijd meer dan zondekennis. Zoals Luther schrijft in zijn verklaring van Psalm 51: ‘Tot het ware berouw behoren twee stukken: kennis van de zonde en kennis van de genade’.
Calvijn dacht er precies hetzelfde over: ‘De enige weg om Gods gunst te verkrijgen is jezelf met een gewond hart neerleggen aan de voeten van Zijn goddelijke genade’. We kunnen dus niet van berouw spreken als er geen vertrouwen is op Gods genade en barmhartigheid. Dat zie je zo mooi in Psalm 51. Hoe komt het dat David, met alles wat hij verkeerd heeft gedaan, toch tot God roept? Omdat hij hoop heeft op God.

Hoop

De hoop op God maakt het verschil uit tussen berouw en wroeging. Wie wroeging heeft, ziet wel wat verkeerd is gegaan, maar heeft geen hoop op God. Iemand die wroeging heeft, is in de greep van de wanhoop. Maar dat is niet zo bij berouw. Berouw kent hoop. Berouw heeft goede gedachten van God. Daarom begint Psalm 51 ook met de hoop op Gods genade: ‘Wees mij genadig, o God…’.
Psalm 51 staat daarin niet alleen. Ook in de andere psalmen tref je deze tonen steeds aan: ‘Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd of aan mijn overtredingen, denkt U aan mij naar Uw goedertierenheid, omwille van Uw goedheid, o HEERE’ (Ps.25:7). De wetenschap dat de HEERE goedertieren en genadig is, geeft je de hoop om tot Hem te gaan. Want Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Zo ver het oosten is verwijderd van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.
Wij hebben nog veel meer reden om op de HEERE te hopen dan David. Want wij weten wat David nog niet wist. Wij weten van het kruis, van Golgotha: het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden.

‘Predikant stelt diagnose’ (serie zondebesef 4), in: De Waarheidsvriend, 15-03-2012, pag. 14-15