Op de radio klonk onlangs Annie M. G. Schmidts bekende liedje ”Sorry dat ik besta”, een ballade over de verboden liefde tussen mensen van hetzelfde geslacht. Het lied weerspiegelt het in de jaren zeventig nog volop bestaande taboe op homoseksualiteit: nooit aria’s voor de paria’s. Altijd Romeo en Julia, maar nooit Romeo en Julius. Anno 2015 bestaat, binnen en buiten de kerk, dat taboe niet meer.

Veertig jaar nadat Annie haar lied schreef, heeft er zich een roze revolutie voltrokken. Uit de kast komen is aan de orde van de dag en homo’s eisen een volwaardige plek op in de samenleving, daarbij gesteund door de mediagenieke homobeweging die er wonderwel in geslaagd is de publieke opinie aan haar kant te krijgen. Het lijkt bijna tijd te worden voor een nieuwe variant van ”Sorry dat ik besta”, nu voor de enkeling die zich niet mee heeft laten zuigen in de maalstroom van de homo-emancipatie.

Spreken en schrijven mag dan inmiddels enerzijds de normaalste zaak van de wereld zijn, tegelijk ligt het onderwerp nog altijd erg gevoelig. Angst om voor achterhaald of intolerant uitgemaakt te worden, in combinatie met het gegeven dat de confrontatie met homoseksualiteit zich ook binnen de eigen kring en in de kerk voltrekt, zorgt bij veel christenen voor verlegenheid. Tegelijk –en dat is winst– heeft dit tot gevolg gehad dat er ook binnen kerken en christelijke organisaties een bezinningsproces plaatsvindt. Met verschillende uitkomsten.

De christelijke ethicus L. R. Holben onderscheidt niet minder dan zes verschillende visies op homoseksualiteit onder christenen, variërend van absolute afwijzing en veroordeling –waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen homoseksuele oriëntatie en homoseksuele praxis– tot houdingen die bevestiging en bevrijding van homoseksuelen tot doel hebben. Daartussenin zitten visies die de homoseksuele oriëntatie niet als zondig veroordelen, maar als gevolg zien van de gebrokenheid van de schepping die homoseksuelen in de navolging van Christus moeten dragen.

Christenen die de acceptatie van homoseksualiteit verdedigen, beroepen zich vaak op twee argumenten. Het eerste is het rechtvaardigheidsprincipe: de rechtvaardigheid vereist dat homo’s hetzelfde recht hebben om hun seksualiteit te beleven als hetero’s. Hoe waar het ook is dat rechtvaardigheid in de Bijbel en de christelijke traditie een belangrijk gegeven is, een Bijbelse ethiek laat zich niet versmallen tot een roep om gerechtigheid. In Gods visie op het goede leven gaat het niet alleen om gerechtigheid, maar ook om gehoorzaamheid: gehoorzaamheid aan Zijn geboden – al Zijn geboden.

”Wees wie je bent”

Een tweede argument dat vaak de revue passeert, is de slogan ”Wees wie je bent”. In deze visie zijn oriëntatie, identiteit en gedrag onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat betekent dat het onnatuurlijk en schadelijk is om van iemand te verwachten dat hij niet overeenkomstig zijn oriëntatie handelt.

Ook in de kerkelijke discussie rond homoseksualiteit neemt dit argument een belangrijke plaats in. Volgens aanhangers van deze visie worden er in de Bijbel wel bepaalde homoseksuele daden en misstanden veroordeeld, maar aangezien de Bijbel nog niet de idee kent van een homoseksuele oriëntatie of identiteit kunnen deze Schriftgegevens niet zonder meer op de situatie vandaag worden toegepast. En omdat homo’s mogen wezen wie ze zijn, staat de deur naar bepaalde vormen van een homoseksuele levensstijl en homoseksuele relaties open. Een variant hierop staat in een pas verschenen boekje over discipelschap van de hervormd-gereformeerde organisatie IZB (”Tijd om mee te gaan”, B. de Leede, W. Dekker en A. Markus).

De auteurs schrijven bij de Bijbelse uitspraken over homoseksualiteit: „De vraag is echter hoe concreet en duidelijk deze zijn. Wanneer in onze cultuur het zelfverstaan van iemand die homoseksueel is heel anders is dan in vroegere tijden, in hoeverre gaat het gebod dan nog over hetzelfde en dezelfden?” (blz. 77). De auteurs wijzen erop dat wij vandaag in een andere cultuur leven dan de Bijbelschrijvers; een cultuur „waarin het individu een grote betekenis heeft gekregen, evenals de subjectieve beleving van het individu en het zoeken van authenticiteit” (blz. 76). Hoewel dat laatste ongetwijfeld waar is –de bewustwording van het individu is de laatste eeuwen sterker geworden– is het de vraag of een homoseksuele levensstijl daarmee gerechtvaardigd is.

Centraal in de Bijbelse visie op seksualiteit staat de notie van een bepaalde, door God gewilde orde: scheppingsorde of natuurlijke orde genoemd. Binnen deze orde heeft alles zijn doel. Iets is goed of ”natuurlijk” wanneer het beantwoordt aan deze door God gewilde bedoeling. Zo is het doel van menselijke seksualiteit –naast expressie van liefde en genot– het voortbrengen van nageslacht. Daar homoseksualiteit wel ruimte biedt voor het eerste, maar niet voor het laatste, voldoet het niet aan Gods bedoeling, de wijze waarop Hij de dingen gewild en geordend heeft. Dit gegeven is van veel groter gewicht dan wat individuele teksten al dan niet zeggen over homoseksuele misstanden.

Met name in Romeinen 1 speelt die scheppingsorde een grote rol in Paulus’ spreken over homoseksualiteit. Hij betrekt het toegeven aan homoseksualiteit hier in het grotere verband van het ”verdwazingsproces” waarin de mens meegenomen wordt in een neerwaartse spiraal van vervanging van God voor afgoden, van de waarheid voor de leugen en de Schepper voor het schepsel. De ethische keerzijde hiervan is een almaar meer meegezogen worden in seksuele perversiteit, waarvan homoseksualiteit er een is.

Het is een domino-effect: „…omdat het hun niet goed gedacht heeft God te erkennen, heeft Gód hen overgegeven aan verwerpelijk denken, om dingen te doen die niet passen” (vs. 28). Paulus noemt dit „onnatuurlijk” (vs. 26): tegen de natuurlijke orde.

Dat betekent dat er oneindig veel meer in het geding is dan ruimte voor homoseksualiteit en homoseksuelen. Achter de schermen van de geschiedenis speelt zich een strijd af om de waarheid, een strijd om de geesten. De homobeweging, in nauwe samenwerking met de seculier-liberale meerderheid, probeert ons te doen geloven dat homoseksualiteit moreel acceptabel is. Op dat punt mag de kerk niet toegeven. Dat heeft ze al te veel gedaan, getuige de mogelijkheid in verschillende kerken om homohuwelijken in te zegenen en plaats te bieden aan geestelijken die een actieve homoseksuele levensstijl uitdragen. Deze verlegenheid en acceptatie laten zien dat christenen en kerken die op dit punt hebben toegegeven, niet begrijpen wat er werkelijk aan de hand is.

In zijn indrukwekkende studie ”Making gay okay” maakt de rooms-katholieke schrijver en voormalig adviseur van de Amerikaanse president Robert Reilly inzichtelijk hoe de westerse wereld betrokken is geraakt in een stille revolutie waarin het kwaad van homoseksualiteit wordt gerationaliseerd. Rationalisering –waarbij homoseksualiteit steeds meer als normaal en acceptabel beschouwd wordt– is de drijvende kracht geweest van de homobeweging. Ook de Amerikaanse emeritus hoogleraar filosofie en vrouwenstudies Linda Hirshman komt in haar boek over de triomf van de homobeweging tot eenzelfde conclusie. Die beweging is zo succesvol geweest omdat haar leiders de morele claim deden dat ”gay” ”good” is. Zo past de homo-emancipatie in een cultuurbrede beweging waarin het kwade goed wordt geheten en het goede kwaad.

Achter deze omslag schuilt de verwerping van de klassiek-christelijke gedachte dat de mens is geschapen met een voorgegeven doel. Deze idee is vervangen door een extreme vorm van individualisme en autonomie waarbij de mens, als regisseur van zijn leven, zelf de vrijheid heeft zijn impulsen te volgen en zijn verlangens te realiseren. Dat is waar het volgens Reilly echt om gaat: de aard van de werkelijkheid.

Homoseksualiteit is –in de woorden van Antoine Bodar– ”ongeordende liefde”, een symptoom van een gebroken wereld. Aan christenen en kerken de opdracht om met compassie en barmhartigheid om te gaan met allen die deze strijd te strijden hebben, een strijd die in deze permissieve cultuur voor hen intenser is dan ooit. Tegelijkertijd is het vandaag meer dan ooit de roeping om waakzaam te zijn en in alle ootmoed te getuigen van Gods waarheid – juist op het punt waar deze in het geding is.

‘Roze revolutie is geding om de waarheid’, artikel ‘Toegespitst’ in: Reformatorisch Dagblad, 17-01-2015