In Paulus’ denken over de vrouw in het ambt is de scheppingsorde normatief. Dat kun je niet hermeneutisch wegredeneren, stelt ds. M. Klaassen.

Natuurlijk dient men zich bij de benadering van teksten van de eigen vooronderstellingen bewust te zijn, maar dat hoeft geen belemmering te zijn om duidelijk te krijgen wat een tekst bedoelt. Juist gereformeerde theologie gelooft dat het mogelijk is de bedoeling van de auteur helder te krijgen. En die is wat Paulus’ visie op de vrouw binnen de gemeente betreft duidelijk genoeg.

Het Nieuwe Testament leert ons dat God evenzeer vrouwen als mannen begiftigt met geestelijke gaven (1 Kor. 12:8-11) die binnen de gemeente tot elkaars opbouw gebruikt mogen worden (1 Petr. 4:10). Vanaf de vroegste periode van de christelijke kerk geldt er echter één restrictie: die van het leerambt. Dit op grond van 1 Timotheüs 2:8-15. Deze woorden geven, anders dan wat dr. Post betoogt, wel degelijk voldoende duidelijkheid over de bedoeling van Paulus.

In het bestek van deze reactie is het niet mogelijk andere tekstgedeelten te bespreken. Geïnteresseerden verwijs ik naar ”Evangelical Feminism & Biblical Truth” van dr. W. Grudem, waarin deze en andere teksten uitvoerig besproken worden en tegenstemmen worden beantwoord.

Het is belangrijk dit gedeelte te begrijpen tegen de achtergrond van de problematiek die speelt binnen de gemeente van Efeze. Onder invloed van dwaalleraars doen opvattingen de ronde die vooral bij een groep vrouwen aanslaan (5:15). Onderdeel hiervan is waarschijnlijk een egalitaire en emancipatoire benadering van de man-vrouwverhouding, waarbij rolverschillen tussen man en vrouw worden weggevaagd met een beroep op de eenheid in Christus.

Eva

Deze gedachten vervullen Paulus met zorg. Hoe waar het ook is dat in Christus de man-vrouwverschillen er niet toe doen, Christus’ heilswerk betekent niet dat de door God gewilde structuur in de schepping opgeheven is! Daarom merkt de apostel op dat het de vrouw niet is toegestaan te leren of over de man te heersen. Leren en regeren zijn volgens 1 Timotheüs 3 bij uitstek de taken van de opziener/ouderling.

Paulus fundeert deze opvatting in de scheppingsorde en verwijst vervolgens naar het feit dat Adam eerst geschapen is (vs. 13) en van God de positie van hoofd heeft ontvangen. Eva daarentegen heeft als roeping haar man als helper bij te staan.

Paulus’ tweede argument is het gegeven dat Eva eerst zondigde (vs. 14). Hij bedoelt hiermee níét dat vrouwen vatbaarder zouden zijn voor verleiding. Zijn punt is: Adam maakte geen gebruik van zijn verantwoordelijkheid als hoofd van zijn vrouw, maar liet zich (mis)leiden door Eva. Eva nam het initiatief, in plaats van eerst Adam te raadplegen; Adam faalde door zijn vrouw niet te corrigeren. De zondeval laat zien wat er gebeurt als de rolverhouding tussen man en vrouw wordt opgeheven. En dat is precies wat de dwaalleraars (en hun vrouwelijke navolgers) in Efeze willen.

Uit deze gegevens vloeien twee beperkingen voort: vrouwen zijn niet geroepen mannen te onderwijzen en evenmin gezag over hen uit te oefenen. Het gaat hier niet slechts over haar eigen man, het gaat over de man in het algemeen. Dat heeft niets met minderwaardigheid te maken, maar alles met respect voor de God gegeven orde in Zijn schepping.

Gezagsrelatie

Het ”leren” betekent hier de overdracht van de apostolische leer aangaande het heil in Christus, in de pastorale brieven: de gezaghebbende doctrinaire instructie die aan bepaalde personen is toevertrouwd. Doorvertaald naar vandaag kunnen we dan denken aan prediking en onderwijstaken die met een bepaald gezag geladen zijn. Het gaat dus nadrukkelijk niet om taken als evangelisatie, bepaalde vormen van pastoraat, kringwerk en het onderwijzen van andere vrouwen (Tit. 2:3-4).

Vrouwen mogen leren (zich laten onderwijzen – en dat is opzienbarend genoeg t.a.v. het jodendom waar dit niet gebruikelijk was), maar moeten dit doen „in stilheid en alle onderdanigheid.” Dit laatste woord betekent zoveel als onderwerping aan bevoegd gezag (slaven aan meesters, vrouwen aan hun mannen), in dit geval aan de mannelijke gemeenteleiders. De scheppingsorde laat niet toe dat de vrouw heerst over de man.

Sommige exegeten stellen dat Paulus hier alleen ageert tegen een verkeerde vorm van heersen, en dat bepaalde vormen van gezag uitoefenen wel degelijk open staan voor vrouwen. Gezaghebbend onderzoek van H. S. Baldwin heeft echter aangetoond dat het werkwoord ”authenteo” (heersen, vs. 12) gewoon ”gezag uitoefenen” betekent. Het is de vrouw in geen enkele vorm toegestaan binnen de gemeente gezag uit te oefenen. (Of dit ook betrekking heeft op situaties buiten de gemeente is een punt dat Paulus hier buiten beschouwing laat.)

De gezagsrelatie die de man van God heeft ontvangen staat dus de leidinggevende en lerende functie van de presbyter/ouderling/bisschop niet toe aan de vrouw. Daarbij draagt Paulus in deze specifieke context de scheppingsorde aan als normatief. Dat kun je dus niet hermeneutisch wegredeneren. Voor Paulus had de scheppingsorde blijkbaar een altijddurend en overal geldend gezag. Dat in Christus raciale, etnische en geslachtelijke verschillen niet meer uitmaken, betekent géén opheffing van de scheppingsorde. Er is niets wat erop wijst dat deze gegevens een tijdelijk of contextueel gezag zouden hebben. De woorden ’ik sta de vrouw niet toe…’ zijn geladen met apostolisch gezag – en dat geldt tot op de wederkomst van Christus.

Alle gezag is van God afkomstig en Gods roeping voor de man is in alle ootmoed en liefde zijn door God gegeven roeping in gezin en gemeente als hoofd van de vrouw te vervullen. Gods roeping voor de vrouw is deze door God gewilde gezagsrelatie in eerbied en geloof te aanvaarden. Aan de kerk de taak door God begaafde vrouwen in te schakelen op die gebieden waar haar gaven het beste tot bloei komen.

‘Scheppingsorde norm voor vrouw en ambt’, in: Reformatorisch Dagblad, 04-09-2008