Augustinus blijft boeien. Na zestienhonderd jaar worden er nog steeds nieuwe geschriften van hem vertaald en aan de vergetelheid ontrukt. Onlangs verscheen een vertaling van zijn zogenaamde antipelagiaanse geschriften. Boeken met een boodschap voor zowel rooms-katholieken als protestanten.

Gelukkige vondst

Na de dood van ds. Izaak Wisse in 2011 vond zijn zoon op zijn computer de vertaling van een aantal geschriften van Augustinus die nog niet eerder in het Nederlands verschenen. Dat was een gelukkige vondst, want het belang van deze geschriften kan moeilijk onderschat worden. Ze bevatten namelijk de weerslag van de gerijpte genadeleer van de bisschop van Hippo.

Pelagiaans ongemak

Met de zogenoemde anti-pelagiaanse geschriften worden de boeken bedoeld die Augustinus schreef in reactie op de uitlatingen van Pelagius en verwante theologen. In het geding was de verhouding tussen menselijke vrijheid en Gods genade. Augustinus vertelt hoe Pelagius geïrriteerd reageerde toen hij kennis kreeg van zijn bekende gebed uit de Belijdenissen ‘Geef wat U beveelt, en beveel wat U wilt’. Wat vonden Pelagius en zijn medestanders? Anthony Dupont en Mathijs Lamberigts maken in hun inleiding duidelijk dat dit nog niet zo makkelijk te traceren is, dat er geen sprake was van een eenvormig pelagianisme, maar diversiteit aan opvattingen en dat onze visie op de pelagianen ten dele gevormd is door de gekleurde bril van Augustinus. In elk geval: In de optiek van Augustinus kende Pelagius een te grote rol toe aan de menselijke vermogens om God te dienen, ten koste van Gods genade. Een in het oog springend punt was de ontkenning van de leer van de erfzonde. Mensen zijn geen zondaars omdat ze delen in Adams schuld, maar omdat ze zelf ervoor kiezen te zondigen. Ieder is dus zelf verantwoordelijk voor zijn zonden en kan de schuld niet afschuiven op Adam. Dit in flagrante tegenspraak met wat de apostel Paulus in Romeinen 5 leert. Frappant is overigens dat Dupont en Lamberigts in hun inleiding alle moeite lijken te doen om Augustinus’ visie op de erfzonde als een novum neer te zetten – alsof Paulus wat anders bedoelde dan Augustinus. Dat dit niet het geval is, blijkt wel uit een recent opstel van de Nieuwtestamenticus Douglas Moo waarin hij laat zien dat zonde zowel bestaat uit navolging van Adams zonde (Pelagius’ visie) alsook een gemeenschappelijke, corporate dimensie kent: wij hebben gezondigd in en met Adam (‘Sin in Paul’, in: C.W. Morgan & R.A. Peterson, Fallen. A Theology of Sin, Wheaton 2013, 120-126)

Doop en erfzonde

Gedurende de zogenaamde pelagiaanse strijd – die verschillende fases kende en zich uitstrekt over een periode van ongeveer twintig jaar, reageert Augustinus verschillende keren in geschrifte. In het vroegste – en langste – geschrift Over de straf voor en vergeving van de zonden redeneert Augustinus als volgt: vanwege Adams zonde worden alle mensen als zondaar geboren. Daarom is het van het grootste belang dat kleine kinderen de doop ontvangen. Augustinus gelooft namelijk  – zoals meer kerkvaders – dat de doop de erfzonde afwast. Kinderen die niet gedoopt worden, gaan met ‘overgeërfde schuld’ verloren. Al kan dit ‘hard’ en onpastoraal overkomen, het is de logische consequentie van zijn visie op erfzonde en de gedachte dat de doop de erfzonde afwast. De gedachte dat God bij machte is ook kleine kinderen opnieuw geboren te laten worden en dat hun vroegtijdige dood misschien wel een aanwijzing is dat God hen vroeg thuishaalt, komt jammer genoeg niet voor.

Overigens leert Augustinus niet dat de doop op zich zaligmakend is. Wie als kind gedoopt is, ‘maar in de jaren des onderscheids niet gelooft en zich niet onthoudt van ongeoorloofde begeerten’ zal geen enkele baat hebben van wat hij als kind heeft ontvangen. Wie gedoopt zal hebben én geloofd zal hebben, zal zalig worden.

Vrije wil en genade

In het tweede geschrift, Over de menselijke natuur en de genade, maakt Augustinus duidelijk dat de menselijke natuur dermate aangetast is dat de mens niet meer uit eigen beweging (vrije wil) zich tot God kan keren. We hebben wel een vrije wil om te zondigen, maar om naar de gerechtigheid terug te keren ‘heeft hij een Geneesheer nodig, aangezien hij niet meergezond is; heeft hij iemand nodig, die hem levend maakt, omdat hij dood is’ (XXIII,25). Met scherpe bewoordingen komt Augustinus op voor de boodschap dat we alleen door de genade van Christus gered kunnen worden: wie meent zich door zijn eigen natuur te kunnen rechtvaardigen, heeft Christus overbodig gemaakt.

Verkiezing en volharding

Het kortst – en het meest toegankelijk – zijn de laatste twee geschriften in deze bundel. Deze handelen over de voorbestemming (verkiezing) en de volharding in het geloof. Hierin neemt Augustinus afstand van zijn vroegere visie – toen hij nog dacht dat God mensen verkoos omdat Hij wist wie –uit eigen beweging – in Hem geloven zouden. Nu echter stelt de kerkvader dat geloof niet in de eerste plaats berust op een menselijke keuze, maar op Gods verkiezende genade. God verkiest niet omdat we geloven, maar opdat we geloven. Op de vraag of het dan niet onrechtvaardig is dat God de een wel geloof schenkt en de ander niet, antwoordt hij: als Hij zich ontfermt, geeft Hij weldaden; als Hij echter verhardt, geeft Hij wat verdiend is (VIII,14). Zalig worden geschiedt uit genade en hangt niet af van wie wil of van wie zich beijvert, maar van de erbarmende God.

Dat redding een gave van God is, blijkt ook uit de gebedspraktijk, zo merkt Augustinus scherpzinnig op. Immers, wat voor zin heeft het om te bidden om het behoud van mensen, als God niet machte is dat te bewerken, maar het afhangt van de menselijke wil? Toch laat de Schrift overduidelijk zien dat de apostelen verwachten dat God op het gebed mensenharten zou neigen tot geloof. Die genade beperkt zich niet alleen tot het begin van het geloof, maar betreft het hele leven van het geloof. Om zalig te worden, moeten we volharden. Ook de volharding is een gave van God. Er is telkens weer nieuwe genade nodig om staande te blijven op de weg van het geloof. Dat betekent dat het geloofsleven per definitie een afhankelijk leven is, een leven in afhankelijkheid van Hem zonder wie we niets kunnen doen (Joh. 15).

Maar maakt de benadrukking van Gods genade en verkiezing geen zorgeloze of onverschillige mensen? Dat zou je kunnen denken, maar Augustinus snijdt die gedachte resoluut de pas af. Paulus geloofde niet alleen in de verkiezing, maar evenzeer in de noodzaak van de evangelieverkondiging. Het eerste is de bron, het tweede het middel. En diezelfde apostel stelt niet alleen dat God het ‘willen als het werken’ bewerkt, maar ook dat het zaak is om ons tot het uiterste in te zetten onze zaligheid te bewerken.

Tijdloos

We mogen blij zijn dat deze belangrijke bundel verschenen is. Hoewel het geen makkelijke lectuur is, zijn met name de laatste twee boeken goed te lezen en geven zicht waarom de Afrikaanse kerkleraar met recht de titel doctor gratiae verworven heeft.  Hoewel de geschriften zestienhonderd jaar oud zijn, bevatten ze toch een tijdloze boodschap: de noodzakelijke en onweerstaanbare genade van God voor gevallen zondaren. De kerkgeschiedenis heeft geleerd dat de discussie hierover steeds weer terugkeert in de kerk, zoals blijkt uit de strijd tussen Arminius en Gomarus en de discussie vandaag tussen reformatorischen en evangelischen.

Rome en Reformatie

De anti-pelagiaanse Augustinus is een belangrijke bron geweest voor de reformatoren. Er kan gesteld worden dat zijn genadeleer het meest recht is gedaan in de stromingen die hun bron vinden in de Reformatie. De radicaliteit van zijn visie op genade en verkiezing heeft veel rooms-katholieken in verlegenheid gebracht. De kerkhistoricus Eginhard Meijering merkte onlangs op dat zij de harde lijn van Augustinus in het algemeen hebben afgezwakt. En dat is jammer. Want in plaats van dat zijn genadeleer een enorme schaduw over Europa heeft geworpen (Kurt Flasch) is zijn opvatting juist een bron van hoop. Zoals bij de slavenkapitein John Newton, die na een liederlijke leven Gods genade ontmoette en Hem daarvoor alle lof toeschreef:

Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ‘t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.

Daarom zou het goed zijn als én protestanten én katholieken zich herbronnen aan Augustinus.

 

‘Tijdloze genade’, bespreking van Aurelius Augustinus ‘Vier antipelagiaanse geschriften’, Zoetermeer 2014, in: kwartaalblad In de Rechte Straat, mei 2015, 8-9