Geachte mevrouw Yücel,

Gisteren nam ik in het Reformatorisch Dagblad (6 februari 2015) kennis van het gesprek dat u had met Herman van Wijngaarden over homorelaties in refokringen. Goed om zo met elkaar in gesprek te zijn; het is beter mét elkaar te spreken dan óver elkaar. En zo hebt u eens een christenhomo in levende lijve ontmoet…

Toch riep het artikel bevreemding bij mij op. Uw plan om ambassadeurs in te zetten zal de verstandhouding met orthodox-gereformeerden niet ten goede komen: het werkt bevreemdend, is bevoogdend en zal niet tot verandering van standpunt leiden. Waarom niet heb ik onlangs betoogd in het artikel ‘Roze revolutie is geding om de waarheid’ (Reformatorisch Dagblad, 17 januari j.l.). Genoemd artikel schreef ik, mede naar aanleiding van de opmerking die u maakte naar aanleiding van de verschijning van het rapport van het SCP afgelopen december dat het u niet snel genoeg ging met de acceptatie van homoseksualiteit in orthodoxe kring. In mijn artikel betoog ik dat er zoiets is als waarheid en een morele orde – iets waarin orthodox-gereformeerden heilig in geloven. Daar krijgt u geen omkeer in.

Het is wel bevreemdend om dit in dit land mee te maken: een land waar diezelfde gereformeerden aan de wieg van hebben gestaan. De Opstand van 1568-1648 was een ontworsteling aan een bevoogdende overheid die zowel de gewetens- als de godsdienstvrijheid aantastte. Juist de gereformeerden hebben zich met goed en bloed ingezet voor de handhaving van die vrijheid. En nu krijg je weer te maken met een overheid die de grenzen van zijn eigenlijke taak ver overschrijft en anderen voorschrijft wat ze zouden moeten vinden en geloven. U maakt er immers geen geheim van waar het u om gaat: onvoorwaardelijke acceptatie van homoseksuele relaties. Nogmaals, daar zult u niet in slagen.

Als christenen is het onze roeping om in liefde en compassie onze naasten – ook onze homoseksuele naaste – tegemoet te treden. Haat, agressie of geweld tegen homo’s is daarom uit de boze. Homo’s hebben in Nederland alle rechten die anderen ook hebben. Die worden hen ook niet misgund. Maar dat betekent niet dat u of wie dan ook orthodoxe christenen kunt dwingen homoseksuele relaties goed te keuren, eenvoudigweg omdat dit binnen de christelijke ethiek ingaat tegen de door God gewilde ordening van de werkelijkheid.

U misvormt die werkelijkheid door te stellen dat het huwelijk – wat een eeuwenoude rechtstraditie heeft – ook gebruikt zou kunnen worden als aanduiding van een relatie tussen mensen van hetzelfde geslacht. Je kunt de wetten van de werkelijkheid wel breken – en dat is Nederland gebeurd door de benaming ‘huwelijk’ toe te kennen aan dergelijke relaties – maar daarmee verander je de werkelijkheid nog niet. Scholen, kerken en individuen hebben het recht – en dat is geworteld in genoemde Opstand waar juist gereformeerden opkwamen voor gewetens- en godsdienstvrijheid – om hun visie op de werkelijkheid te vertolken.

Wat u feitelijk doet met uw uitspraken is christenen in die ruimte beknotten, vanuit de gedachte dat het gelijkheidsbeginsel prevaleert boven de vrijheid van godsdienst en onderwijs. Terwijl historisch gezien het recht van vrijheid van godsdienst en onderwijs bedoeld is om het individu in bescherming te nemen tegen de staat die telkens weer de neiging heeft die vrijheid van het individu te overvleugelen door ‘bevoogding’ en ‘opvoeding’ van hen die nog niet zo ver (lees: tolerant) zijn als de rest. Maar tolerantie -zei dr. Bart Jan Spruijt juist vandaag zo mooi in de Trouw (7 februari)- is iets wat je jezélf oplegt, niet anderen. Orthodoxe christen moeten het verdragen dat zij in een cultuur leven waarin homoseksualiteit gerationaliseerd is tot iets goeds en wenselijks. Maar wij verdragen het níet wanneer ons een opvatting opgelegd wordt die tegen ons geweten indruist.

Wat dat betreft heeft prof. dr. Beatrice de Graaf het beter gezien. In een artikel dat deze week verscheen in de glossy Maarten! betoogt de hoogleraar History of Conflict and Global Governance aan de Universiteit van Utrecht dat de vrijheid van godsdienst in Nederland meer en meer in het geding kost. Ze maakt bezwaar tegen de verabsolutering van de vrijheid van meningsuiting ten koste van de vrijheid van godsdienst. De Graaf pleit er dan ook voor religieuze minderheden meer armslag te geven, ook als zij ‘ondemocratische opvattingen’ hebben. Of het verwerpen van homoseksuele relaties ‘ondemocratisch’ is, is een discussie apart. Het is in elk geval een standpunt met eeuwenoude papieren. En niemand heeft het recht ons te dwingen dit op te geven!

Met hartelijke groet,

Maarten Klaassen