Aanvaarding van de Schrift is niet gebaseerd op het feit dat we elke uitspraak kunnen verklaren of de juistheid ervan kunnen aantonen, maar omdat de Geest in onze harten getuigt dat het Gods eigen Woord is, reageert dr. M. Klaassen op dr. A. Huijgen.

Dr. Huijgen heeft in RD 23-1 een diepgravende analyse gegeven van een aantal vragen die door de discussie tussen dr. Wisse (RD 15-1) en mij (RD 11-1 en 18-1) over het sola Scriptura zijn blootgelegd. Daarmee heeft hij ons een dienst bewezen.

Als onze discussie één ding duidelijk maakt, dan is het wel dat het laatste woord over het sola Scriptura nog niet is gesproken is. Deze discussie vraagt daarom een vervolg. Vanwege de specifieke vragen die hieraan verbonden zijn, is daarvoor een ander forum nodig dan de krant. Daarom wil ik geen uitvoerige reactie op Huijgen geven, maar bij wijze van post scriptum me beperken tot een aantal opmerkingen.

Driehoek

Huijgen merkt terecht op dat er in mijn artikelen weinig over de Geest wordt gesproken. Daarmee kan de suggestie gewekt worden dat het Woord los van de Geest benaderd zou kunnen worden. Dat te suggereren, is zeker niet mijn bedoeling. Er is een onlosmakelijk verband tussen Woord, Geest en kerk. Zij vormen een driehoek waar niet één zijde van gemist kan worden.

Als boek van de Geest is de Schrift „levend en krachtig” (Hebr. 4:12), geen object dat we eigenmachtig met onze geest kunnen benaderen, maar veeleer het medium waardoor de Geest óns benadert om ons te brengen tot bekering en geloof. Dr. C. A. van der Sluijs wees me er terecht op dat het sola Scriptura nooit los te verstaan is van het sola fide. Als we Schrift en geloof bij elkaar houden, voorkomen we dat er op een onpersoonlijke, rationalistische en objectivistische manier over de Schrift gesproken wordt.

In een gereformeerde benadering van de Schrift mogen we deze zien als boek van het verbond. In zo’n benadering is plaats voor beide verbondspartners: God als Auteur van de Schrift en de mens als ontvanger van de Schrift. Dit voorkomt zowel subjectivisme als objectivisme.

Juistheid

Ik krijg het gevoel dat ik door Huijgen een hoek in word ingeduwd waar ik niet wil staan: die van een propositionalistische benadering van de Schrift, een benadering waarbij de Bijbel vooral gezien wordt als een verzameling ware uitspraken. Volgens Huijgen zou mijn visie erop neerkomen dat elk gegeven in de Bijbel wetenschappelijk moet kloppen en controleerbaar moet zijn. Zo’n benadering vindt hij gevaarlijk want de minste afwijking kan zomaar leiden tot het omvallen van het hele gebouw.

Ik ben het om twee redenen met deze voorstelling niet eens. Allereerst doet een dergelijke benadering geen recht aan het eigen karakter, de veelkleurigheid en de diversiteit aan genres van de Schrift.

Ten tweede: aanvaarding van de Schrift is niet gebaseerd op het feit dat we elke uitspraak kunnen verklaren of de juistheid ervan aantonen, maar omdat de Geest in onze harten getuigt dat het Gods eigen Woord is.

Functies

We kunnen de Schrift drie functies toeschrijven. Allereerst en vooral is het een Woord dat verkondigd wil worden. Daarnaast is het een lees- en een leefboek. In de praktische, dagelijkse omgang met de Schrift wil de Geest ons leiden in de waarheid. En ten slotte levert de Schrift ons bouwstenen voor kennis van de werkelijkheid.

Vanwege dit laatste punt teken ik bezwaar aan tegen de manier waarop Huijgen omgaat met het kentheoretische element in de Schriftleer. Hier gaat hij echt te kort door de bocht en honoreert hij onvoldoende het gegeven dat deze kentheoretische benadering diep verankerd is in de gereformeerde traditie. Het is zeer gereformeerd om de Schrift te zien als bron van cognitieve kennis aangaande God.

Huijgen creëert mijns inziens een oneigenlijke tegenstelling tussen heilszekerheid en ware kennis. Ja, het gaat in de Schrift allereerst om heil, maar dat betekent niet dat het niet om ware kennis zou gaan. Sterker nog: als ik niet zeker zou zijn dat de Schrift mij ware kennis biedt, wordt ook mijn heilszekerheid ondergraven.

Wezenlijk

Ik ben van mening dat de kentheoretische functie van de Schrift momenteel weer extra aandacht verdient. Er is een tendens gaande is om de Schriftleer te integreren in de pneumatologie en/of onder de genademiddelen.

Een voorbeeld is de nieuwe dogmatiek van Van der Kooi en Van den Brink. Wie de inhoudsopgave ter hand neemt, ziet in één oogopslag dat, anders dan in voorgaande (gereformeerde) dogmatieken, de Schriftleer niet meer functioneert bij de beginselen (”principia”) van de theologie, maar wordt behandeld onder de leer van de Heilige Geest.

Dat laatste hoeft op zich niet verkeerd te zijn, ook de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel behandelt de Schriftleer vanuit de pneumatologie („Die gesproken heeft door de profeten…”). Het is wel de vraag of met het loslaten van de traditioneel gereformeerde ordening van de geloofsleer vanuit de Schrift als principe van kennis ook niet iets wezenlijks verloren gaat. Jezus’ uitspraak: „Uw Woord is de waarheid” (Joh. 17:17) betekent mijns inziens dat de Schrift ware kennis biedt, een perspectief op de werkelijkheid waardoor we kunnen zeggen: „In Uw licht zien wij het licht” (Ps. 36:10).

Bijbels

Een wat technisch punt dat ik toch noemen wil: Achter Huijgens moeite met mijn visie zit zijn moeite met funderingsdenken – een wijsgerige visie op kennis die inmiddels als achterhaald geldt. Het is echter de vraag of een milde vorm van funderingsdenken wel zo problematisch is als Huijgen denkt en of dit zelfs niet geboden is.

Ik verwijs in dit verband graag naar het opstel ”The premature report of foundationalism’s demise” van J. P. Moreland in de bundel ”Reclaiming the Center. Confronting Evangelical Accommodation in Postmodern Times” (Millard Erickson e.a). Moreland laat in dit opstel zien dat veel evangelicalen te voorbarig zijn in hun verwerping van alle vormen van funderingsdenken. Tevens geeft hij een model waarin overtuigingen (”beliefs”) die gebaseerd zijn op de Schrift als werkelijk fundamenteel (”properly basic”) gelden. In zijn betoog speelt de onfeilbaarheid van de Schrift een belangrijke rol: omdat de Schrift het onfeilbare Woord van God is, kan hij ons tot ware kennis leiden.

Tot slot: Huijgen suggereert dat sola Scriptura een reformatorisch principe is. Dat is het ook, maar ik blijf erbij dat het allereerst een Bijbels principe is –zelfs Paulus stelt zich onder de vloek als zijn boodschap af zou wijken van het Evangelie (Gal. 1:8)– en als zodanig van den beginne maatgevend in het christendom. En omdat het maatgevend is, is het zaak dat we ons er voortdurend toe verhouden. Ik hoop dat onze discussie daartoe een bijdrage mag leveren.

‘Getuigenis van de Geest doet Bijbel aanvaarden’, in: Reformatorisch Dagblad, 29-01-2014