Zolang niet vaststaat dat homoseksualiteit een biologisch gegeven is, kan de mogelijkheid van verandering niet uitgesloten worden. Het volgen van een therapie mag daarom niet door de overheid worden belemmerd.

Mijn bezorgdheid over de toenemende bemoeienis van overheidswege met personen en instanties die visies hebben die van de seculier-liberale agenda afwijken, verwoordde ik in Toegespitst (RD 2-3). Als voorbeeld daarvan noemde ik de vragen die D66-Kamerlid Bergkamp stelde over therapie die erop gericht is homo’s te veranderen in hun gerichtheid of hen te helpen met die gerichtheid om te gaan op een voor hen bevredigende wijze.

Ik gaf aan dat bevreemdend te vinden, omdat op andere terreinen voor mensen geen belemmering wordt opgeworpen om naar seksuele verandering te zoeken, bijvoorbeeld door het ondergaan van geslachtsveranderende operaties.

In tegenstelling tot wat dr. David J. Bos in het artikel ”Er is geen bewijs dat homotherapie werkt” schrijft, heb ik het woord ”genezing” daarbij niet genoemd (ook de Nashvilleverklaring rept hier trouwens niet over). Dat was een bewuste keuze, omdat genezing suggereert dat homoseksualiteit een ziekte is. Dat is het niet.

Wel geloof ik dat mensen met een homoseksuele oriëntatie veranderen kúnnen. Ik schreef: „(het) is evident dat sommige mensen verandering ervaren in de intensiteit en richting van hun seksuele verlangens”. Rosaria Butterfield en, recenter, de voormalige homoactivist David Bennett (in zijn indrukwekkende boek ”A War of Loves”) leggen daar duidelijk getuigenis van af.

Toch liggen dergelijke getuigenissen uiterst gevoelig. Dat bleek onlangs weer toen iemand die zichzelf voorheen als homo beschouwde, maar nu getrouwd is met een vrouw zijn verhaal deed bij het Christelijk Informatie Platform (CIP). Een hausse aan negatieve reacties was het gevolg. Waarom toch? Laat het aan mensen zelf over om te zeggen of ze veranderd zijn, of niet.

Culturele normen

In mijn artikel ging ik in op het gegeven dat er geen wetenschappelijke consensus over bestaat of een homoseksuele oriëntatie te maken heeft met erfelijke factoren of omgevingsfactoren (zie ook dr. R. Seldenrijks artikel ”Homofiel gerichte medemens heeft mededogen nodig”, RD 9-3). Het kan niet uitgesloten worden – en dit is een voorzichtige bewering – dat bij in elk geval een deel van de personen met een homoseksuele oriëntatie dit laatste het geval is. Ter illustratie een aantal opmerkelijke gegevens die hierop wijzen.

David Greenberg, die onderzoek deed naar de sociale constructie van homoseksualiteit door de eeuwen heen, kwam tot de opvallende constatering dat er een groot aantal samenlevingen is waarin „eigenlijk alle vormen van homoseksualiteit heel zeldzaam zijn”. Culturele normen (en niet genetica) lijken een belangrijke rol te spelen bij de expressie van homoseksualiteit. Zo is het opvallend dat homoseksualiteit in grote steden veel meer blijkt voor te komen dan in landelijke gebieden (in de Verenigde Staten 9,2 tegenover 1,3 procent).

Een ander gegeven dat ik in dit verband wil noemen, is dat er bij veel personen met een homoseksuele oriëntatie sprake blijkt te zijn van seksuele fluïditeit. Meer dan 90 procent van de Amerikanen die seksuele ervaring hadden met iemand van hetzelfde geslacht gaf aan ook geslachtsgemeenschap gehad te hebben met iemand van het andere geslacht. En slechts een derde van de (lesbische) deelnemers aan een onderzoek uit 1992 gaf aan zich uitsluitend aangetrokken te voelen tot iemand van hetzelfde geslacht.

Vooringenomenheid

In het licht van het bovenstaande is het niet vreemd dat bij een deel van hen die een homoseksuele oriëntatie hebben er verandering kan optreden, al dan niet door het volgen van een behandeling. Uit een onderzoek in 1997 van de National Association for Research and Therapy of Homosexuality (NARTH) onder 882 cliënten bleek dat van degenen die zich voor behandeling „uitsluitend homoseksueel” beschouwden 18 procent zich na behandeling „uitsluitend heteroseksueel” noemde. 17 procent noemde zich „bijna uitsluitend heteroseksueel” en 12 procent „meer heteroseksueel dan homoseksueel”.

Natuurlijk kun je dit allemaal afdoen als nonsens. En natuurlijk kun je wijzen op mensen die terugvallen in vroeger gedrag. Dat laat echter onverlet dat het op zijn minst te denken zou moeten geven. Het is waar dat veel wetenschappers bijzonder argwanend zijn ten opzichte van dergelijke gegevens, maar zou dat niet evenzeer te maken kunnen hebben met een ideologische vooringenomenheid? Het is in elk geval opvallend hoe moeilijk het is om dergelijke onderzoeksresultaten gepubliceerd te krijgen.

Korinthe

Zolang niet vaststaat dat homoseksualiteit een biologisch gegeven is (en dus „vastligt”), kan de mogelijkheid van verandering niet uitgesloten worden. Immers, ook andere gedragingen die het gevolg zijn van omgevingsfactoren kunnen zodanig behandeld worden, dat er verandering geconstateerd wordt. En ja, ook waar succes geboekt wordt, vindt terugval plaats. Maar moeten we dan maar stoppen met bijvoorbeeld verslavingszorg, omdat er mensen zijn die terugvallen in oude patronen? Veel belangrijker is toch het succes dat geboekt wordt, al is dat altijd maar ten dele. Ik zal de laatste zijn om mensen te dwingen een therapie te volgen. Maar dat, gezien het voorgaande, hun de mogelijkheid daartoe niet ontzegd mag worden, lijkt me evident.

Want verandering is mogelijk. En dat is niet van vandaag alleen. Het gebeurde al in Korinthe, een stad die in de oudheid bekend stond om zijn seksuele immoraliteit en waar homoseksuele praxis en pederastie aan de orde van de dag waren. Maar de heilbrengende genade van Jezus Christus bracht verandering. Zodat Paulus van hen getuigde: „Sommigen van u zijn dat wel geweest, maar u bent schoongewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God” (1 Korinthe 6:11).

Gods genade is de beste therapie. Zij verlost mensen van hun grootste kwaal: niet seksuele gevoelens, maar ongeloof. En geeft aan hen een nieuwe identiteit. Een identiteit die niet meer bepaald wordt door seksuele verlangens, maar door Jezus Christus. Zijn genade maakt het mogelijk om weerstand te bieden tegen de afgoden van ons hart, ook tegen onze seksuele afgoden. En is dat niet de grootste verandering, zelfs als seksuele verlangens niet veranderen? Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.

‘Homoseksuele oriëntatie kán veranderen’, artikel Reformatorisch Dagblad, 16 maart 2019