Zijn alle pogingen van christenen om Joden tot een verandering van godsdienst te bewegen een weerspreking van Gods trouw aan Israël? Hebben Joden Jezus wel nodig?

De Evangelische Kerk in Duitsland (EKD) neemt afstand van zending onder Joden. De synode nam onlangs een verklaring aan waarin gesteld wordt dat alle bemoeienissen om Joden tot een verandering van godsdienst te bewegen een weerspreking is van Gods trouw en de status van Israël als uitverkoren volk van God. De formulering was een compromis. In een eerdere formulering stond dat het geloofsgetuigenis „om Joden te bekeren tot het geloof in Jezus als Christus de belijdenis van de trouw van God en het beschouwen van Israël als uitverkoren volk weerspreekt.”

Het is een goede zaak als kerken zich bezinnen op hun positie ten aanzien van Israël. De synode van de EKD wil afstand nemen van een theologie die zegt dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. De herinnering aan de inktzwarte geschiedenis van Jodenvervolging en gedwongen bekering tot het christendom is een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de kerk, zeker in Duitsland.

Tegelijk roept de formulering indringende vragen op. Want is geloof in Jezus voor een Jood ”verandering van godsdienst”? Vele orthodoxe Joden zullen dit zo vinden, maar een Messiasbelijdende Jood die Jezus als de vervulling van de hoop van Israël beschouwt, waarschijnlijk niet. En is het waar dat het bewegen van Joden tot geloof in Jezus „de belijdenis van de trouw van God en het beschouwen van Israël als uitverkoren volk weerspreekt”? Nog scherper geformuleerd: hebben Joden Jezus nodig?

Rechtvaardiging

Volgens Pamela Eisenbraun, hoogleraar Nieuwe Testament en praktiserend Jood, niet. Haar these is: Jezus redt, maar alleen heidenen. In dezelfde week dat de Duitse synode vergaderde, sprak zij in Lunteren tijdens een conferentie georganiseerd door de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Het thema van deze conferentie was ”Geloof, wet en verlossing bij Jezus en Paulus: de Reformatiethematiek en de christelijk-joodse verhouding”. Aanleiding voor deze conferentie was de ophanden zijnde Reformatieherdenking in 2017. Het ging om de vraag: Hoe moeten we vandaag de dag aankijken tegen de thematiek van de Reformatie in het licht van de huidige Bijbelwetenschap? En wat betekent dit voor de verhouding tussen Jodendom en christendom?

Eisenbraun nam duidelijk stelling. Haar these is dat Paulus in het protestantisme helemaal verkeerd begrepen is. Bovendien is de traditionele ‘reformatorische’ visie op Paulus veroordelend ten aanzien van Joden en het Jodendom. Kern van dit probleem is volgens haar dat protestanten de rechtvaardiging door het geloof zo’n centrale rol hebben gegeven.

Waarom is dit zo problematisch? Centraal bij Paulus is de overtuiging dat een mens niet gerechtvaardigd wordt door werken (der wet), maar door het geloof alleen. Degenen die steunen op de werken staan onder het oordeel van God. Het gevolg hiervan is, aldus Eisenbraun, dat er stereotype beelden zijn ontstaan van Joden en het Jodendom (als mensen die hun vertrouwen stellen op ”werken”). Ze gaat zelfs zo ver dat ze stelt dat de leer van de rechtvaardiging zowel de oorzaak als het effect is van een diep ingesleten anti-judaïsme.

Rechte verhouding

Haar Leuvense collega prof. dr. Tomson deed hier nog een schepje bovenop. Rechtvaardiging door het geloof, betoogde de nieuwtestamenticus, mag dan wel centraal staan in de protestantse theologie, maar dat is niet het geval bij Paulus. Anders dan de protestantse belijdenis en theologie plegen te doen, focust Paulus volgens hem niet op het persoonlijk heil. Volgens Tomson gaat het bij Paulus in de eerste plaats om het volk Israël en het lichaam van Christus en op de plaats die beide innemen in het Bijbels perspectief van Gods heilsgeschiedenis en pas in dat verband om het persoonlijke heil.

Wat hier gebeurt, is dat een heilsordelijke (op het persoonlijke heil gerichte) lezing van Paulus wordt vervangen door een heilshistorische. Rechtvaardiging draait volgens deze nieuwe benaderingen niet zozeer om de vraag hoe een mens in de rechte verhouding met God staat, maar hoe Joden en heidenen één kunnen zijn. De vraag naar de rechte verhouding met God wordt in deze nieuwe benaderingen naar de achtergrond geschoven, als niet relevant beschouwd of verdoezeld.

Dat is verraad aan Paulus en aan de Reformatie. Rechtvaardiging gaat primair om de vraag hoe men in de rechte verhouding tot God staat. De keerzijde ervan is dat allen die in de rechte verhouding tot God staan, samen het volk van God vormen, Joden en heidenen. Het tweede is het gevolg van het eerste.

Waar Tomson lijkt te kiezen voor een of-of-benadering is het beter te kiezen voor een en-en-benadering, een benadering waarin heilsgeschiedenis (Gods weg met Israël en de gemeente) en heilsorde (de persoonlijke betekenis van het heil) naast elkaar staan, of beter nog: waarbij de heilsorde opkomt uit de heilsgeschiedenis.

Werken der wet

Naast alle aandacht die Paulus heeft voor Gods weg met Israël en de volken, vraagt hij evenzeer aandacht voor het persoonlijke aspect van het heil. Zijn geloofsbelijdenis aangaande Christus –„Die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgegeven” (Gal. 2:20)– staat in dezelfde toonsoort als Luthers opmerking dat de troost van het Evangelie in de persoonlijke voornaamwoorden zit.

Het klassieke perspectief op Paulus is niet anti-Joods. Allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God. Ja, Paulus richt zich in zijn brieven vaak op het Joodse streven om door het onderhouden van de wet gerechtigheid te bewerkstelligen, maar uiteindelijk geldt dit voor al het menselijke streven om door eigen doen en laten gerechtigheid te bewerkstelligen. Het is in dit verband opvallend dat Paulus, als hij in de Efezebrief schrijft dat men uit genade, door het geloof en niet uit de werken zalig wordt (Ef. 2:8-9), niet zozeer spreekt over ”werken der wet”, maar over ”werken” in het algemeen: al het menselijke doen en laten doet niet mee in het verkrijgen van gerechtigheid.

Dat Joden niet zalig kunnen worden door het onderhouden van de wet is niet omdat de wet slecht is, maar omdat wij het zijn. Anders dan het Jodendom, is Paulus van mening dat de menselijke natuur zo aangetast is door de zonde dat volmaakte gehoorzaamheid –en dat is wat God eist– ten ene male onmogelijk is, voor Jood en heiden. Israël, dat de wereld de oplossing moest brengen voor het probleem van Adam, is zélf onderdeel van het probleem. Zoals de geschiedenis van Israël in het Oude Testament laat zien, brengt de wet geen oplossing, maar brengt die juist het probleem aan het licht: ook Israël is zondig en staat onder het oordeel van God. In plaats dat de wet gerechtigheid brengt, klaagt hij aan en leidt hij tot kennis van de zonde (Rom. 3:20).

Het wonder van het Evangelie is dat er bij God geen aanzien des persoons is (Rom. 2:11). „Zonder de wet” (Rom. 3:21) heeft God voor Joden en heidenen een nieuwe weg tot gerechtigheid geopend: het geloof in Jezus Christus. Hij is de vervulling van Israël en de vervulling van Gods belofte aan Abraham dat in hem álle volken der aarde gezegend zouden worden.

Misdadig

Daarom is het misdadig om Joden Jezus te onthouden. Jezus is allereerst hun Messias. En omdat Hij Israëls Messias is, is hij het ook voor heidenen. Een Messias die –zoals Eisenbraun betoogt– wel Messias voor de heidenen is maar niet voor Israël, is geen Messias. Als Joden niet in hun Messias hoeven te geloven, dan heidenen zeker niet! Als Hij het voor de wereld is, dan allereerst voor Israël. En is Hij het voor Israël, dan ook voor de wereld.

In Paulus’ woorden: „En ik zeg dat Jezus Christus een Dienaar van de besnijdenis is geworden ter wille van de waarheid van God om de beloften aan de vaderen te bevestigen, en opdat de heidenen God zouden verheerlijken vanwege de barmhartigheid…” (Rom. 15:8-9). Jezus is gekomen voor Israël, met het oog op de wereld. Zo is Gods belofte aan Abraham tot vervulling gekomen en kunnen Joden én heidenen kinderen van Abraham zijn, door te wandelen in het spoor van zijn geloof.

‘Jezus: Messias voor Jood en heiden’, artikel ‘Toegespitst’ in: Reformatorisch Dagblad, 05-12-2016