De notie van Gods toorn is in de verzoening wel degelijk aanwezig, reageert ds. M. Klaassen op dr. A. H. van Veluw.

„Verzoening is niet het stillen van Gods toorn.” Met deze woorden wordt een artikel samengevat dat dr. A. H. van Veluw schreef in een deze week aan het moderamen van de Protestantse Kerk gepresenteerd boekje over Jezus (RD 26-2). Niet Gód zou verzoend hoeven te worden, de wereld moet verzoend worden. Hoewel ik het boekje (nog) niet gelezen heb en dus af moet gaan op het verslag, meen ik dat een paar kanttekeningen hier op hun plaats zijn.

Terecht wil Van Veluw de God van de Bijbel verre houden van de heidense goden wier toorn je kon stillen door gaven en geschenken te geven in de hoop ze zo gunstig te stemmen. In het Bijbelse spreken is verzoening een gave van God aan de mens (vergelijk Lev. 17:11).

Maar betekent dit dat de notie van Gods toorn in de verzoening ontbreekt? Ik meen van niet. Van Veluws stellingname doet denken aan de bekende nieuwtestamenticus C. H. Dodd, die in de jaren dertig suggereerde dat de noties van genoegdoening en toorn ontbreken in het Nieuwe Testament – een visie die destijds fundamenteel weerlegd is door onder anderen Leon Morris (”The Apostolic Preaching of the Cross”).

Al hoort God niet thuis in het pantheon van grillige en onberekenbare goden met hun irrationele toorn – dat betekent nog niet dat Hij niet zou kunnen toornen. God is een moreel wezen en wordt diep geraakt door de zonde en het kwaad dat in Zijn schepping plaatsvindt. Eliminering van de notie van Gods toorn leidt gemakkelijk tot een deïstisch godsbeeld dat niet strookt met het intens persoonlijk karakter waarmee de Schrift over Gods toorn spreekt (vergelijk Ez. 7:8).

Het hoort tevens tot de kern van de Schrift dat Gods Zijn toorn kan afwenden. Dat kan bijvoorbeeld door de ban uit te voeren over een afgodische stad. Zo wordt de ”hitte van Gods toorn” afgewend (Deut 13:17). Dat gebeurt ook bij de afgoderij in Baäl-Peor waar Gods toorn wordt afgewend doordat de daders gestraft worden (Num. 25:4). Gods toorn wordt ”genoeg gedaan” door de dood van de daders. Ook Psalm 78:38 maakt ondubbelzinnig duidelijk dat verzoening en het afwenden van Gods toorn hand in hand gaan: „Maar Hij was barmhartig en verzoende de ongerechtigheid, Hij richtte hen niet te gronde, maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn volle grimmigheid niet op.”

Verhelderend in dit verband zijn ook de teksten in het Oude Testament waarin expliciet over verzoening gesproken wordt. Het Hebreeuws gebruikt hierbij varianten van het werkwoord ”kipper”. Zowel in de cultische als in de niet-cultische betekenis wordt duidelijk dat verzoening plaatsvindt door het betaling van een losprijs. Alleen door betaling van een losprijs (”kopher”) kan er verzoening plaatsvinden. Die losprijs kan geld zijn (zoals in Ex. 30:12-16), maar ook een leven. Illustratief is de situatie die we in Deut. 21 beschreven vinden. Er is een moord gepleegd waarbij de dader onbekend is. Om te voorkomen dat Gods toorn de hele gemeenschap treft, moeten de oudsten van de stad een koe doden. Het leven van het dier is de losprijs die Gods ongenoegen wegneemt en voor verzoening zorgt.

Kortom, de Schrift bevat te veel aanwijzingen die een verband tonen tussen verzoening en het afwenden van Gods toorn om te beweren dat „God niet verzoend moet worden.” Verzoening heeft niet alleen een mensgericht aspect, maar ook een Godgericht aspect. God weet Zich geraakt door onze zonde: die roept Zijn verontwaardiging en toorn op. Verzoening dient als ‘bliksemafleider’ voor Zijn toorn. Daarin toont God niet alleen Zijn rechtvaardigheid, maar ook Zijn barmhartigheid: door de verzoening worden verstoorde verhoudingen weer hersteld en kan God weer in gunst op de mens neerzien.

Van groot belang hierbij is wel dat het God Zélf is die Zijn toorn afwendt en de mens mogelijkheden tot verzoening schenkt. Verzoening is niet zozeer een gave van de mens aan God, maar Gods gave aan de mens.

Dat wordt het duidelijkst in Jezus – het hoogtepunt van Gods verzoenend handelen. In Hem neemt God Zelf de consequenties van onze zonde en schuld op Zich. In het kruis van Golgotha laat God voor het oog van heel de wereld Zijn 
heilige verontwaardiging zien. 
De beker –symbool van Gods toorn– die Jezus aanvaardt en de duisternis die Hij op Golgotha ondergaat, laten de ernst zien van onze zonde. Maar tegelijk, terwijl God de fiolen van Zijn toorn uitstort, opent Hij ook Zijn hart – dat overloopt van barmhartigheid. „God is rechtvaardig, ja, een God der wrake, en Hij is liefde, Hij wil zalig maken.”

Op weg naar Goede Vrijdag mogen wij van harte zingen: „Gij vindt in gunst en niet in wraak Uw lust, de hitte van Uw gramschap is geblust.”

‘Notie van Gods toorn in verzoening wel degelijk aanwezig’, in: Reformatorisch Dagblad, 02-03-2013