Het wordt tijd om afscheid te nemen van het sola Scriptura. Dat betoogde Maarten Wisse, docent dogmatiek en oecumene aan de VU, vorig jaar september in het Nederlands Dagblad. Daar valt best wat op af te dingen.

De gereformeerde traditie is geworteld in de Bijbel. De Bijbel als het onfeilbare Woord van God geeft ons betrouwbare kennis over God, de werkelijkheid en onszelf. De gereformeerde traditie beschouwt, al eeuwen, de Bijbel als het belangrijkste uitgangspunt voor ware kennis. Volgens de 17e-eeuwse gereformeerde theologen hoort de Schriftleer daarom tot de grondbeginselen van de theologie. Waarom?

Gereformeerde theologen uit de 17e eeuw maken onderscheid tussen twee soorten kennis: archetypische kennis en ectypische kennis. Onder het eerste verstaan ze de kennis die alleen God heeft, onder het tweede de kennis die mensen hebben. De ectypische kennis die mensen hebben, is altijd een afgeleide van de archetypische kennis van God.

De Schrift, als het door God gegeven en geïnspireerde medium, bevat de kennis die mensen van God kunnen hebben. Hoewel kennis van een mens altijd beperkt zal blijven is het –juist vanwege die verworteling in God– toch mogelijk om tot betrouwbare kennis te komen. In de gereformeerde optiek bestaat een onlosmakelijk verband tussen Godsleer en Schriftleer: de Bijbel biedt betrouwbare kennis, omdat God betrouwbaar is.

Bron en norm

Omdat de Schrift betrouwbare kennis biedt, geeft de Bijbel grond onder de voeten en kan zo bron en norm voor leven, denken en handelen zijn. In het theologisch spraak­gebruik is hiervoor het begrip sola Scriptura gesmeed.

Nu wordt vaak gedacht dat het sola Scriptura een geesteskind van de Reformatie is. Deze bewering bezigen critici van het protestantisme geregeld, met name rooms-katholieken en oosters-orthodoxe theologen. Hun kritiek is begrijpelijk, want in beide stromingen staan Schrift en traditie min of meer in elkaars verlengde. De gedachte dat de traditie ondergeschikt zou zijn aan de Schrift is daarom onacceptabel.

De gedachte dat het sola Scriptura een uitvinding van de Reformatie is, is echter niet juist. Keith Mathison toont in zijn studie ”The Shape of Sola Scriptura” aan dat het sola Scriptura teruggaat naar de vroegste wortels van de kerk. In tegenstelling tot de latere rooms-katholieke traditie staan Schrift en traditie in het vroegste christendom niet naast elkaar, maar vallen samen. De Schrift is het gezagvolle Woord van God. Wel dient de Schrift uitgelegd en verstaan te worden overeenkomstig het geloof van de kerk.

Maar betekent dat dan toch niet dat de Schrift ‘bekneld’ raakt door de kerk? Nee, want het geloof van de kerk wordt aan de Schrift ontleend. Schrift en geloof staan in een organisch verband met elkaar.

Zoekgeraakt

Dat organisch verband is in later tijd helaas zoekgeraakt. Vanaf de vierde eeuw is een ontwikkeling zichtbaar waarbij de traditie als gezagvolle bron van openbaring gezien wordt naast de Schrift.

De bekende kerkhistoricus Heiko Oberman onderscheidt vanaf deze periode twee zienswijzen. De eerste, door hem Traditie I genoemd, kent alleen de Schrift als gezagvolle bron van openbaring. De tweede, Traditie II, erkent naast de Schrift ook de traditie als bron van openbaring. In de late middeleeuwen zal Traditie II de overhand krijgen; een lijn die doorgezet en geconsolideerd is op het concilie van Trente. Conclusie: de accentuering van het sola Scriptura is geen uitvinding van de Reformatie, maar een teruggrijpen op de oudkerkelijke Traditie I.

Nu heeft het sola in de slogan sola Scriptura iets misleidends. Het zou het vermoeden kunnen wekken dat naast de Schrift andere bronnen van kennis niet meer relevant zijn. Dat is echter onjuist. Sola Scriptura is in de gereformeerde theologie nooit bedoeld alsof alleen de Bijbel gezaghebbend zou zijn. Sola Scriptura is iets anders dan nuda Scriptura: de naakte Schrift. De kreet: ”De Bijbel en de Bijbel alleen” lijkt misschien wel gereformeerd, maar is het niet. Die hoort meer bij de doperse traditie of het Amerikaanse fundamentalisme. In de gereformeerde traditie hebben ook andere bronnen nut, mits deze maar ondergeschikt zijn aan de Schrift. Zo aanvaardt de gereformeerde theologie zonder enig voorbehoud de oudchristelijke belijdenissen over de persoon van Christus en de triniteit. Traditie –dat wat overgeleverd is door voorgaande geslachten– mag een belangrijke rol spelen in de oordeelsvorming van een christen.

Het negeren van de traditie is een slag in het gezicht van de Heilige Geest, Die de kerk door de eeuwen heen heeft geleid en mensen rijke inzichten heeft geschonken. Sola Scriptura wil vooral uitdrukken dat uiteindelijk alle visies aan de Schrift getoetst moeten worden. Dat is de normerende norm.

Geloofwaardig

Bovenstaande visie is echter geen gemeengoed meer binnen de brede gereformeerde gezindte, zo blijkt uit het gedachtegoed van VU-docent Maarten Wisse. Volgens hem levert het sola Scriptura namelijk geen geloofwaardige omgang met de Schrift op. Waarom niet?

Wisse vindt dat gereformeerden die uitgaan van het sola Scriptura gemakkelijk hun eigen rol in het verstaan en interpreteren van de Bijbel over het hoofd zien. Moderne lezers hebben namelijk niet zomaar meer toegang tot de tekst en de context van de Bijbel. Wie dus meent de Bijbel zomaar te kunnen overplaatsen naar deze tijd en situatie zit ernaast. Tussen de tekst van de Bijbel en de wereld van nu staat namelijk altijd de lezer zelf, met zijn eigen visie en overtuigingen.

Natuurlijk heeft Wisse hiermee een punt. Christenen aan het begin van de 21e eeuw moeten zich ervan bewust zijn dat ze in een tijdperk leven dat gekarakteriseerd is als ”hyperhermeneutisch”. Veel meer dan vorige generaties is men zich in deze tijd bewust dat teksten niet neutraal benaderd kunnen worden. De hermeneutiek van de afgelopen eeuw heeft de ogen van mensen geopend voor de grote rol die zij als lezers hebben in de omgang en interpretatie van teksten uit het verleden. Maar vormt dat een dermate grote belemmering dat niet gesproken zou kunnen worden over de betekenis van de Schrift – en dat dus het sola Scriptura feitelijk onmogelijk is geworden?

Nee. Een christen die gelooft dat deze wereld onder de heerschappij van God staat, kan ervan uitgaan dat God ondanks alle ‘ruis’ wel bij machte is Zijn woord door te laten komen. De intenties van de auteur en de Auteur zijn open voor wie daar ontvankelijk voor is. In een gereformeerde omgang met de Schrift mag ruimte zijn voor de persoonlijke impressie die de Schrift op de lezer maakt, terwijl die tegelijk zijn best doet om de bedoeling van de oorspronkelijke schrijver te verstaan. Juist vanuit de overtuiging dat God Zich werkelijk in de Schrift geopenbaard heeft, is het mogelijk om wat Hij ons wilde zeggen op het spoor te komen en de betekenis die de door God gebruikte menselijke auteur bedoelde, te achterhalen.

Zuinig

De geschiedenis laat zien dat de geestelijke gezondheid van de kerk onlosmakelijk verbonden is met haar eerbied voor de Schrift. Reden dus om zuinig te zijn op het sola Scriptura. Daarom is Wisses visie niet onschuldig.

Wie het sola Scriptura relativeert, stelt niet alleen een van de kernprincipes van de Reformatie ter discussie, maar erger: die laat zich verdringen van de enige plaats om te staan. Luthers beroemde uitroep „Hier sta ik, ik kan niet anders”, is –zelfs al zou hij het niet letterlijk zo gezegd hebben– toch waar. Wie een plaats wil hebben om te staan, moet het sola Scriptura laten staan.

Te midden van het drijfzand van menselijke meningen en tradities vond Luther een plaats om te staan: het Woord van God: „Mijn geweten is gevangen door het Woord van God.” Een bevrijdende gevangenschap.

‘Sola Scriptura onopgeefbaar’, artikel ‘Toegespitst’ in: Reformatorisch Dagblad, 11-01-2014