Geloof in God en in het boek van God zijn niet van elkaar te scheiden, reageert dr. M. Klaassen.

In RD 15-1 gaat dr. Maarten Wisse in op mijn bespreking van zijn Schriftvisie. Volgens hem vind ik zijn opvatting over het sola Scriptura bedreigend. Dat klopt. Maar voordat ik uitleg waarom, wil ik eerst twee opmerkingen maken bij zijn reactie.

In de eerste plaats verwijt Wisse mij op de persoon te spelen. Niet alleen zijn overtuiging zou een gevaar zijn, dat geldt ook voor hemzelf. Die suggestie wil ik graag ontkrachten. Wisse is een begaafd en erudiet theoloog die wat te zeggen heeft. Dat ik het niet in alles met hem eens ben, is duidelijk. Daar kunnen we over discussiëren en daarbij dient het om de bal te gaan, niet om de man.

Ten tweede: wij zijn het niet in alles oneens. Zo val ik Wisse bij als hij stelt dat het beroep op de Schrift makkelijk ontaardt in misbruik: „Ik heb gelijk, want zo staat het in de Bijbel.” Daarom doet hij een pleidooi om transparant te zijn over je overtuigingen en motieven. Terecht. Oprechtheid is een belangrijke deugd, en ja, arglistig is het hart, ook als het over onze omgang met de Schrift gaat. Hoe makkelijk kun je niet de Schrift voor je eigen karretje spannen. Zeker vanuit de negatieve mensbeschouwing die de gereformeerde traditie eigen is, is een ”hermeneutics of suspicion” (hermeneutiek van het wantrouwen) op zijn plaats.

Dat gezegd hebbend, wil ik graag toelichten waarom ik zijn opvatting een bedreiging voor de theologie vindt.

Onheil

Het begon allemaal met een discussie over de vrouw in het ambt. Wisse schreef in het Nederlands Dagblad daar geen moeite mee 
te hebben, omdat het sola Scriptura niet leidend hoeft te zijn 
bij theologische bezinning vandaag. Die praktische casus maakt in één oogopslag duidelijk wat 
de consequenties zijn van een theologische overtuiging waarin het sola Scriptura niet (meer) leidend is.

In zijn reactie op mij stelt Wisse de vraag of je theologie kunt bedrijven zonder het sola Scriptura. Ja, dat kan en dat gebeurt veelvuldig. Hij vraagt mij ook of er geen sprake kan zijn van godsvertrouwen zonder dat het sola Scriptura als theologische methode wordt aangehangen. Het is niet aan mij om dat te bepalen, maar ik zou dat zeker niet durven ontkennen.

Dat is voor mij de vraag ook niet. Mijn vraag is of het een goede manier van theologie bedrijven is zonder het sola Scriptura. Ik meen van niet. Hoewel ik niet beweerd heb dat de ontkenning van het sola Scriptura –in Wisses woorden– „de bron is van alle kwaad” is, leert de geschiedenis wel dat het loslaten van dit beginsel voor veel onheil heeft gezorgd. Het heeft er in de middeleeuwen toe geleid dat de traditie een steeds meer normerende status heeft gekregen, wat uiteindelijk leidde tot de breuk van de westerse kerk. Daarnaast heeft het geleid tot ontelbare theologische afwijkingen, zoals Schriftkritiek en liberalisme. Ook het wegsterven van de kerk en de marginalisering van het christelijk geloof in Europa staat mede op het conto van het loslaten van het sola Scriptura.

Dat bedoelde ik toen ik schreef dat de geestelijke gezondheid van de kerk onlosmakelijk verbonden is aan haar omgang met en eerbied voor de Schrift. Dus als Wisse mij vraagt of ik in plaats van overal „bedreigingen” te zien niet beter meer geloof zou moeten hebben dat andere methodes ook vruchtbaar zouden kunnen zijn, dan is mijn antwoord: nee. Noch de geschiedenis, noch het heden geeft mij aanleiding om mijn wantrouwen op dit punt te logenstraffen.

Beweging

Ik weet net zo goed als Wisse dat de beweging van Schrift naar theologie niet eenvoudig is en ook niet eenduidig. Er zijn meerdere mogelijkheden om dat verantwoord te doen. Wie daar meer over wil weten, verwijs ik graag naar het boek ”Four Views on Moving beyond the Bible to Theology” (onder redactie van Stanley N. Gundry en Gary T. Meadors), dat verschillende modellen bespreekt om de beweging van „sacra pagina” (heilige tekst) naar „sacra doctrina” (heilige leer) te maken. Daar ligt mijn punt van zorg niet. Mijn pleidooi voor het sola Scriptura komt voort uit de ultieme vraag: wie of wat heeft gezag in de theologie? Wie heeft het laatste woord? Traditie is feilbaar, mensen ook. „God is waarachtig, maar ieder mens een leugenaar” (Rom. 3: 4) – over sola Scriptura gesproken!

Wie heeft het laatste woord? J. I. Packer heeft eens geschreven dat elke hermeneutiek bepaald wordt door een theologie: door een laatste vooronderstelling van waaruit je naar de werkelijkheid kijkt en deze taxeert. Dat is ofwel het Woord van God, ofwel iets anders. In het eerste geval spreken we over theonomie, in het laatste geval over autonomie.

Ik vermoed dat onze discussie ten diepste teruggaat op een verschil van inzicht in de status van Schrift en Schriftgezag. Wisse maakt in zijn artikel een onderscheid tussen „geloof in een boek” of „geloof in de God van dat boek.” Ik begrijp wat hij bedoelt –de Bijbel is geen papieren paus– maar het is de vraag of hier geen sprake is van een oneigenlijke tegenstelling. Geloof in God en geloof in het boek zijn namelijk niet te scheiden – tenminste, als je gelooft dat er sprake is van identiteit tussen de woorden van God en de woorden van de Bijbel. Die identiteit maakt, in Jezus’ woorden, dat de Schrift niet gebroken kan worden (Joh. 10: 35).

Klassiek is dat uitgesproken in artikel IV van de Westminster Confessie: „Het gezag van de Heilige Schrift, op grond waarvan hij geloofd en gehoorzaamd dient te worden, is niet afhankelijk van het getuigenis van enig mens of kerk, maar rust volkomen op God (Die de Waarheid Zelf is), Die daarvan de Auteur is. Het is het Woord van God en moet om die reden aanvaard worden.” Dat bedoelde ik toen ik schreef dat er een onlosmakelijke band is tussen de betrouwbaarheid van God en van de Schrift. Volgens kerkhistoricus Carl Trueman is deze verbinding een van de „key factors” (sleutelfactoren) in de protestantse theologische traditie aangaande de Schrift.

Misbruik

Dat het sola Scriptura door mensen misbruikt is en wordt om hun eigen gelijk te claimen, zal waar zijn. Maar dat is toch geen reden om van de weeromstuit het hele principe los te laten?! Misbruik sluit het goede gebruik niet uit. Juist wie voor Gods aangezicht eigen gelijk leerde wantrouwen, heeft behoefte aan een hoger gelijk dan het mijne. Nogmaals: er moeten sterke papieren voor zijn om een uitgangspunt dat vanaf het begin leidend is geweest in de kerk los te laten. God heeft het eerste woord. En ook het laatste. Dat is wat sola Scriptura zeggen wil: „De wet van de Heere is volmaakt, zij bekeert de ziel; de getuigenis van de Heere is betrouwbaar, zij geeft de eenvoudigen wijsheid” (Psalm 19:8).

‘Wantrouw eigen verstand’, in: Reformatorisch Dagblad, 18-01-2014