Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: ik ben een warm voorstander van het dragen van hoofdbedekking door vrouwen in de eredienst. En dan niet alleen omdat het stijlvol is en vrouwelijk – dat ook! – maar vooral omdat het een goed gebruik is met bijbelse wortels. 

Nee, ik ga niet zo ver als de anders altijd zo irenische ds. J.T. Doornenbal die, toen een groep jonge vrouwen zich ongedekt onder zijn gehoor schaarden in de oude Oener dorpskerk, met kapitale letters in het ‘Veluws Kerkblad’ schreef: IK DULD HET NIET!

In Gods huis is iedereen welkom, met gedekt of ongedekt hoofd. Wat mij betreft geen bordjes bij de ingang die vrouwen zonder hoofddeksel de toegang ontzeggen. Maar dat neemt niet weg dat een ferm pleidooi voor het hoofddeksel in deze tijd waarin deze in rap tempo uit hervormd-gereformeerde gemeenten lijkt te verdwijnen, op zijn plaats is.

Ik geef toe, het is een lastige discussie waar het antwoord niet een twee drie voor het oprapen ligt. Regelmatig krijg ik er vragen over van catechisanten en gemeenteleden. Daarom lijkt het me goed er eens een blog aan te wagen.

De hoofdbedekking is een gevoelig onderwerp, heb ik in de loop der jaren wel gemerkt. Paulus spreekt erover in 1 Korinthe 11. De hoofdbedekking – die algemeen gedragen werd als vrouwen buitenshuis waren – vormde een zichtbaar symbool van het verschil tussen man en vrouw. In Korinthe waren er echter vrouwen die binnen de samenkomst van de gemeente hun hoofdbedekking (palla, een soort shawl) afdeden. Zij waren de mening toegedaan dat met de komst van Christus het verschil tussen man en vrouw er niet meer toe doet. Hoewel Paulus de overtuiging heeft dat man en vrouw inderdaad in Christus gelijkwaardig zijn (Gal. 3: 28), is Paulus het hier toch niet mee eens. Het in-Christus-zijn van gelovige mannen en vrouwen betekent niet dat het onderscheid daarmee is opgeheven, net zomin als het verschil tussen meester en slaaf, hoewel zij voor God gelijkwaardig zijn.  Voor Paulus is de hoofdbedekking een symbool van de scheppingsorde: de man is het hoofd van de vrouw. Door hoofdbedekking te dragen laat je zien dat je Gods scheppingsorde respecteert en overeenkomstig Gods wil wilt leven. Een mooie symboliek dus.

Vandaag de dag zijn er globaal twee opvattingen over hoe je vandaag hiermee om moet gaan. De eerste zegt: hoofdbedekking was gebruikelijk in die tijd. Maar dat is vandaag niet meer zo. Waar het volgens hen vooral om gaat is: leef je volgens de scheppingsorde? Dàt is waar het om gaat. Vandaag de dag – zo zeggen ze – hebben we andere symbolen om te laten zien dat je je man accepteert als je hoofd: bijvoorbeeld door zijn naam te dragen als je getrouwd bent, of het dragen van een trouwring.

De tweede opvatting zegt: het is een blijvend gebod en geldt dus altijd, ongeacht in welke tijd/cultuur je leeft.

Het gelijk van de eerste opvatting is, denk ik, dat er natuurlijk een cultureel element in de hoofdbedekking zit. Hoofdbedekking was toen gebruikelijk. Alle vrouwen droegen dat in het openbare leven. In die zin is dat vandaag anders en wordt deze symboliek niet meer direct begrepen.

Aan de andere kant: hoofdbedekking is een mooie manier om te laten zien dat er verschil is tussen man en vrouw. Juist in deze tijd kan het een sprekend symbool zijn. We leven immers in een tijd waarin als gevolg van emancipatie alle verschillen tussen man en vrouw weggepoetst lijken te (moeten) worden. Als christenen kunnen we laten zien dat we verschillend willen en mogen zijn en dat we niet meegaan in de egalitaire tendens in onze cultuur. Ik vind hoofdbedekking dus nog steeds een mooie en zinvolle manier om te laten zien dat je als vrouw naar Gods wil wilt leven en Zijn scheppingsorde respecteert.

Wat mij betreft dus: gewoon opdoen c.q. ophouden. Begin er maar gewoon vroeg mee. Ook hier geldt (hopelijk): jong geleerd, oud gedaan. Het is een goed gebruik en gebruiken die je loslaat krijg je meestal niet terug. Wel is het van belang dat vrouwen/meisjes de symboliek ook begrijpen. Anders is het een leeg symbool. En het is ook goed om te beseffen dat de hoofdbedekking waar Paulus het over had heel wat anders is dan de hoedenparade die in sommige kerken gebruikelijk is. Een kerkdienst is geen Prinsjesdag! Houd het maar eenvoudig. Eenvoud is nog altijd het kenmerk van het ware.

Tegelijk moet je zeggen: als iemand werkelijk in zijn geweten ervan overtuigd is dat dit tijd- of cultuurgebonden is, kun je het niet opleggen. ‘Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd’. Al is het een hoofd-zaak, het is geen hoofdzaak! We zijn geen christen omdat we iets op ons hoofd hebben, wel omdat we een Hoofd hebben.

Wel kun je – op grond van het hoofdstuk ervoor, 1 Korinthe 10 – om begrip vragen. Paulus staat in dat hoofdstuk christenen toe offervlees te eten dat aan de afgoden geofferd is geweest. Maar hij zegt er ook bij dat als hij door het eten van zulk vlees medechristenen aanstoot geeft, hij dat nooit meer aan wil raken! Het belangrijkste is dus niet: mijn gelijk, maar de liefde voor de ander. Vandaar dat we als kerkenraad de hoofdbedekking niet opleggen aan gemeenteleden, maar bij bepaalde gelegenheden wel vragen het te dragen, om zo te voorkomen dat het niet dragen van hoofdbedekking voor anderen een aanstoot zou zijn.

Tenslotte: wie meer wil weten, heeft mogelijk iets aan de hand-outs van een tweetal preken die ik een aantal jaren terug over dit onderwerp in Sliedrecht heb gehouden, over 1 Korinthe 11: 3 en 1 Korinthe 11: 2-16.