Prof. dr. E. van ‘t Slot, hoogleraar te Groningen namens de Confessionele Vereniging, heeft moeite met de zinsnede dat het niet Gods intentie zou zijn om iedereen te redden, zoals ik betoogde in een artikel in ‘De Waarheidsvriend’ (20-02-2015). Hierbij zijn reactie en mijn toelichting op zijn kritiek. Een beknopte versie hiervan verscheen in ‘De Waarheidsvriend’ van 13 maart. 

“Is het Gods intentie”, schrijft collega M. Klaassen in De Waarheidsvriend (2015/08, 19), “om alle mensen te redden? Nee.” Zo’n triest makend citaat ben ik nog niet vaak in dit blad tegengekomen.

De vragen rondom de reikwijdte van de verzoening en de noodzaak van het geloof zijn ingewikkeld genoeg. En het is best mogelijk dat bijvoorbeeld Barth en Berkhof, zoals Klaassen betoogt, over grenzen heen zijn gegaan en soms al te gemakkelijk spraken over ‘alverzoening’. Hoewel, al te gemakkelijk… zij dachten soms in die richting en deden dat overduidelijk slechts tastend, aarzelend en met de nodige slagen om te arm. Ze deden het niet op grond van menselijke verlangens of logica, maar omdat ze onder de indruk waren van Bijbelse gegevens over het werk van Christus. Maar aan de andere kant van het terrein passeert Klaassen met het genoemde citaat zeker ook grenzen, en dat veel duidelijker en veel bruusker. Ik vind dat zorgwekkend. De kerk heeft grote behoefte aan een theologie die ernst maakt met de oproep “Strijd om in te gaan” (Luk. 13:24). Maar met deze uitspraak is de kerk niet gediend.

Het is niet gemakkelijk om een goede uitleg te geven van – bijvoorbeeld – II Petrus 3:9: “De Heere wil niet, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.” Maar het betekent in ieder geval dat de vraag of wij mogen prediken dat het Gods intentie is dat alle mensen gered worden eerder beantwoord moet worden met een voorzichtig ‘ja’ dan met een bruusk ‘nee’.

Hieronder mijn reactie:

De reactie van prof. Van ’t Slot over mijn uitspraak dat het niet Gods intentie is om alle mensen te behouden, verbaast mij. Zo’n uitspraak is volgens hem ‘triestmakend’, ‘bruusk’, doet de kerk geen goed en – veel erger- is grensoverschrijdend. Het is natuurlijk de vraag: welke grenzen? Ik ben mij niet bewust met deze uitspraak welke grens dan ook te overschrijden: niet die van de Schrift, niet die van de confessie en ook niet die van het calvinisme dat ik voorsta. Is dit niet een beetje de omgekeerde wereld: een confessioneel theoloog die opvattingen verwijt die behoren tot het belijden van de kerk (DL, 2.8) en het vervolgens opneemt voor uitspraken van Barth en Berkhof die rechtstreeks tegen Schrift en confessie ingaan? Ik hoop niet dat de kwalificaties van Van ’t Slot symptomatisch zijn voor een gebrek aan kennis ten aanzien van een klassieke positie die via Augustinus en de Middeleeuwen gestalte heeft gekregen in de confessionele positie van het calvinisme.

Ik ben me terdege bewust dat de gewraakte zinsnede verwarring kan oproepen en eigenlijk een brede uiteenzetting behoeft. Dat dit in het bestek van de ene pagina die me toegemeten was, niet mogelijk was, zal duidelijk zijn. Een paar opmerkingen ter verheldering.

Concreet: wil God de zaligheid van allen? Ja – en nee. Nee, want dan had Hij alle mensen voorbestemd tot het heil – en dat is niet het geval. God leert – aldus Augustinus – sommige mensen uit barmhartigheid tot Christus te komen en anderen naar Zijn rechtvaardig oordeel niet. Als Hij Zich ontfermt, geeft Hij weldaden; als Hij echter verhardt, geeft Hij wat verdiend is. Gevraagd waarom God zo handelt, antwoordt de kerkvader dat hij hierop geen antwoord kan geven, omdat hij niet weet wat hij zou moeten zeggen. Hier raken we de grenzen van ons menselijk weten: Gods verordeningen zijn immers ondoorgrondelijk (Aurelius Augustinus, Over de voorbestemming van de heiligen, VIII, 14; Over het geschenk van de volharding, VII, 18).

Wil God dus de zaligheid van allen? Nee, niet in de zin dat de zaligheid van allen ook werkelijkheid wordt. Zo bedoelde ik het woord ‘intentie’: Gods wil die ook gerealiseerd wordt. Als het Gods intentie is alle mensen te redden, dan worden alle mensen ook gered. Maar het is evident dat dit niet het geval is. Van Eli’s zonen lezen we bijvoorbeeld: ‘de HEERE wilde hen doden’ (1 Sam. 2: 25).  Tegelijk zegt dezelfde Schrift dat de Heere niet wil ‘…dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen (2 Petr. 3:9). Dat betekent dat we over Gods wil met nuance moeten spreken. De klassieke traditie onderscheidt twee lagen in Gods wil: een absolute vorm (Zijn -voor ons verborgen – raadsbesluit dat altijd gerealiseerd wordt) en Zijn wil van bevel (datgene wat God verlangt en ons in Zijn Woord voorhoudt). Op grond van het laatste mogen we tegen mensen zeggen dat God hun behoud wil: Hij heeft immers geen behagen in de dood van de goddelozen (Ez. 18) en verkondigt overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren (Hand. 17: 30). Op grond van het laatste mogen zeggen dat God het behoud van mensen ‘wil’: Hij heeft geen behagen in de dood van de goddelozen (Ez. 18: 23).

Martin Foord heeft enige tijd geleden onderzoek gedaan naar verschillende visies van gereformeerde theologen op teksten uit Ezechiël waar de Heere zegt geen behagen te hebben in de dood van de goddeloze, maar in hun bekering, (zie Ezech. 18:23, 18:32, 33:11). Je ziet dan dat theologen als Vermigli en anderen zich in hun uitleg beroepen op het zojuist genoemd onderscheid tussen Gods verborgen en Gods geopenbaarde wil. Dat God de dood van de zondaar niet wil, behoort niet tot Gods verborgen wil maar tot Zijn geopenbaarde wil. Gods geopenbaarde wil is immers dat we Hem geloven, ons bekeren en Hem gehoorzamen. Andere gereformeerde theologen maken een onderscheid tussen ”willen” en ”behagen”: God heeft geen behagen of welgevallen in de dood van zondaren, al zal dit –als gevolg van hun zonden– wel het resultaat zijn.

Er is in God werkelijk bewogenheid over het lot van mensen die verloren gaan. Jezus’ tranen over Jeruzalem waren geen krokodillentranen. God behoudt liever mensen dan dat Hij hen verloren laat gaan. Er is in God een „liefde van medelijden en compassie” (J. C. Ryle) die het mogelijk maakt om zowel te geloven in Gods verkiezing als in Zijn bewogenheid en liefde voor de gevallen wereld en de gevallen mens.

Vanuit dit kader is het mogelijk om op een verantwoorde manier met teksten om te gaan waarin Gods universele heilswil tot uiting komt, zoals 1 Tim. 2: 4: ‘God wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen’ (1 Tim. 2: 4). Iedereen begrijpt dat wanneer je ‘willen’ hier als ‘intentie’ verstaat, je onherroepelijk uit komt op een universalistische uitleg – de positie dat alle mensen behouden worden. Dat is een opvatting die in het licht van het geheel van de Schrift niet houdbaar is. In de traditie zijn dan ook verschillende exegeses gegeven aan zowel het ‘willen’ als het ‘alle’. Zo kiest Augustinus voor de uitleg dat ‘alle’ hier niet slaat op alle mensen zondermeer, maar op allerlei soorten mensen. Anderen vatten ‘willen’ hier op in de geest van Ezechiël 18: God heeft meer behagen in het behoud van mensen dan in hun ondergang. Hoe overtuigend je deze exegeses vindt, is weer een volgende vraag, maar het toont in elk geval aan dat er in eeuwen voor ons serieus met deze vragen is omgegaan.

Kortom: wie de Schrift serieus neemt, zal er niet onderuit kunnen om genuanceerd te spreken over Gods ‘wil’ en een onderscheid aan te brengen tussen Gods ‘verborgen’ wil (waarin Hij de zaligheid beoogt van hen die Hij tot heil bestemd heeft) en Gods geopenbaarde wil (waarin Hij allen tot het heil oproept) als het kanaal waarlangs Hij Zijn verborgen wil realiseert.

 

(Voor een veel uitgebreidere uiteenzetting van wat ik hier kort betoog, verwijs ik graag naar de (Engelstalige) studies van D. en J. Gibson (eds.), From Heaven He Came and Sought Her dat veel historische, exegetische en systematisch-theologische achtergronden bevat en – veel korter – het recente boekje van de bekende Amerikaanse theoloog John Piper Does God Desire All to Be Saved?)